Een historische dag voor het Atlantisch Bondgenootschap; Navo schrapt de term Sovjet-Unie

BRUSSEL, 21 DEC. Het was gisteren de Hongaarse minister van buitenlandse zaken, Geza Jeszensky, die er fijntjes aan herinnerde dat 42 jaar geleden, toen de NAVO werd opgericht, het lidmaatschap van het bondgenootschap ook werd aangeboden aan de Sovjet-Unie. “Dat was toen misschien niet zo'n geschikt moment”, schertste de Hongaarse minister, “maar nu vraagt men er zelf om.”

Het is gisteren ten minste 25-voudig uitgeroepen tijdens de eerste bijeenkomst van de zestien ministers van buitenlandse zaken van de NAVO (alleen IJsland had zijn ambassadeur gestuurd) en die van negen Oosteuropese landen die vroeger deel uitmaakten van het Warschaupact (alleen had de Sovjet-Unie haar ambassadeur gestuurd), maar niettemin: dit wass een historische dag.

De Spaanse minister van buitenlandse zaken, Francisco Fernandez Ordoñez, die de eerste Noordatlantische samenwerkingsraad als erevoorzitter mocht leiden, had het zelfs over de “reis, lang en vol hoop, naar een gemeenschappelijke bestemming van vrede, vrijheid en veiligheid voor onze landen”, een reis over “de zee van de geschiedenis die even diep en breed is als de mensheid, en soms stormachtig”.

Maar dat de lidstaten van het voormalige Warschaupact gisteren inderdaad de hand die vorig jaar in Londen werd uitgestoken gretig hebben aangepakt kon niet beter worden geïllustreerd dan door de verklaring van Boris Jeltsin dat Rusland op termijn een lidmaatschap overweegt van de NAVO. Daarmee is een veelbetekenend signaal gegeven. Het signaal immers dat de staat die er komt als erfgenaam van de Sovjet-Unie in hetzelfde spoor wil gaan als dat van de NAVO, gebaseerd op waarden als democratie, eerbiediging van de rechten van de mens, vrije markteconomie.

“We zijn vastbesloten te werken aan een nieuwe, duurzame vredesorde in Europa”, zo staat in het slotcommuniqué van de ministers te lezen. Maar of dat onmiddellijk moet worden vertaald in een NAVO-lidmaatschap van de gisteren aanwezige ex-Warschaupactleden, daarover laat niemand zich in dit stadium uit. De Duitse minister van buitenlandse zaken, Hans-Dietrich Genscher, onderstreepte, net zoals secretaris-generaal Manfred Wörner van de NAVO, het feit dat Jeltsin het over de “lange termijn” had. “Ik denk dat Jeltsin daarmee zijn principeel positieve houding tegenover de NAVO als zodanig bedoelde en lidmaatschap niet ziet als onmiddellijk praktisch doel van de Russische buitenlandse politiek”, zo meende Genscher. Wörner vond Jeltsins boodschap vooral positief wat betreft de verzekeringen die hij gaf over de controle op kernwapens en een in één hand berustend commando. Wat Jeltsins opmerking over lidmaatschap op termijn betreft meende Wörner: “Hij vroeg geen lidmaatschap aan, hij stelde alleen een probleem aan de orde. Niets is uitgesloten, maar ik hou rekening met wat hij zelf zegt over de lange termijn.”

Voor de Oosteuropese landen ligt de zaak weer anders. Die voelen natuurlijk veel meer dan de machtige buren in het oosten - Wit-Rusland, Rusland en de Oekraïne - een veiligheidsvacuüm. Het systeem van zeer frequente onderlinge raadpleging - de volgende Navo-samenwerkingsraad zal volgend jaar juni in Oslo worden gehouden, direct volgend op de voorjaarszitting van de Noordatlantische Raad - moet ervoor zorgen dat dat vacuüm wordt opgevuld. Wörner ontkende zelfs dat er sprake is van zo'n vacuüm: door het voortdurende overleg met de NAVO, de tweemaandelijkse deelneming van de ambassadeurs aan de zittingen van de NAVO-vertegenwoordigers, het geregelde overleg in allerlei comité's en de nauwe samenwerking op militair gebied, ontstaat er volgens Wörner een “liaison” die de stabiliteit en het gevoel van veiligheid verhoogt. Een regelrechte veiligheidsgarantie mag dat niet worden genoemd, maar, zo zei Wörner, als bijvoorbeeld de burgeroorlog in Joegoslavië zich over de grenzen van dat land zou uitbreiden, tot Hongarije bijvoorbeeld, dan zou de NAVO “passende maatregelen” nemen. “Iedereen die geweld gebruikt moet zich daarvan bewust zijn”, waarschuwde Wörner. Volgens de secretaris-generaal betekenen de consultatie-procedures die nu zijn vastgelegd niet minder dan “een nuttige bijdrage voor het handhaven van de veiligheid”.

De Hongaarse minister van buitenlandse zaken dacht overigens dat het “zeer onwaarschijnlijk” was dat het Joegoslavische conflict “geïnternationaliseerd” zou worden, juist omdat nu in Brussel plechtig is verklaard dat “veiligheid ondeelbaar” is, wat inhoudt dat de NAVO zich voortaan verbonden voelt met de veiligheid van de landen die aanwezig waren op de samenwerkingsraad.

“We zullen eindelijk in een volkomen ander soort wereld leven”, verzuchtte dan ook de Tsjechoslowaakse minister van buitenlandse zaken Jir Dienstbier op de persconferentie na wat vooral als een ceremoniële bijeenkomst moet worden gezien. Naar aanleiding van de potentiële conflicten die nog in Oost-Europa liggen verwees Dienstbier naar het voorbeeld van Frankrijk en Duitsland, die, terwijl ze eeuwenlang erfvijanden waren, nu eendrachtig samenwerken in de Europese Gemeenschap. “We moeten toe naar een integratie van de integraties”, zo dacht Dienstbier.

Een van de nieuwe vormen van integratie is het tripartite overleg tussen Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. “Geen bondgenootschap”, zo benadrukte de Poolse minister van buitenlandse zaken, Krzysztof Skubiszewski, maar “een samenwerkingsverband waar ook een dwingend effect van uitgaat”. De drie landen stemmen hun buitenlandse politiek, bijvoorbeeld wat betreft de erkenning van nieuwe staten, volledig af op die van de Europese Gemeenschap. “Het gaat er wat Joegoslavië betreft”, zo zei Skubiszewski, “tenslotte om de kans op vrede te vergroten.” En ook Dienstbier vond dat er een “grote inspanning van de internationale gemeenschap” aan de gang is en dat daarin volhard moest worden.

Het was gisteren een historische dag in Brussel. En dat niet alleen omdat de vroegere vijand van het in de jaren zestig zo verketterde symbool van het "Westerse militair-industriële complex' enigszins deemoedig op mogelijke aansluiting zinspeelde, maar ook omdat om 12.13 uur de ambassadeur van die vroegere vijand, Nikolaj Afanassevski, verzocht alle referenties aan de "Sovjet-Unie' in het slotcommuniqué te schrappen. “Een dramatisch moment”, noemde minister Van den Broek dat.