De moppentrommel

Een jaar of vijftien geleden circuleerde in ons taalgebied een van de ingewikkeldste anekdotes.

Het was geen "mop' in de gebruikelijke zin van het woord. Een mop is een humoristisch verhaaltje voor sociaal gebruik als de conversatie stokt of als de verteller ervan overtuigd raakt dat hij "aandacht te kort komt'. En volgens Van Dale: aardigheid, grap, anekdote. Er zit een man in de trein... Moos komt door de Kalverstraat... Die man heeft zich een elektronisch kasregister aangeschaft dat gaat piep piep piep en wat denk je... Zo beginnen die verhalen. Soms hebben ze in hun onwaarschijnlijkheid een geniale intrige, zodat je denkt: hoe graag zou ik degene tegenkomen die dat heeft verzonnen. Maar ik ben nog nooit iemand tegengekomen die iemand is tegengekomen die een mop had verzonnen.

Mijn waarheidsliefde gebiedt me te zeggen dat ik er ook weleens een heb bedacht, zelfs een "Belgenmop' voeg ik er met schaamte aan toe. Een Belg zit in een Porsche en rijdt 210. De Rijkswacht is paraat, achtervolgt de maniak en dwingt hem in de berm. ""Haast, meneer?'' is de universele agentenvraag. ""Ja'', zegt de man van de Porsche. ""Ik zag op mijn meter dat ik bijna geen benzine meer heb, zodat ik zo snel mogelijk naar de pomp moet.''

Dit verhaaltje heb ik nog naar vermogen bijgeschaafd. De Rijkswacht begrijpt het probleem, rijdt hem vooruit naar de dichtstbijzijnde pomp, maar ziet dan opeens in zijn spiegeltje de man van de Porsche niet meer, rijdt terug, treft hem in de berm, vraagt of hij niet wat harder had kunnen rijden en dan zegt de man van de Porsche dat zijn benzine op was. Enzovoort, enzovoort. De trots, of de voldoening van de moppenschepper zal natuurlijk zijn dat hij na een jaar iemand tegenkomt die zegt: ""Moos komt door de Kalverstraat, en wat denk je...'' waarna hij zijn eigen verhaaltje hoort, daar hartelijk om lacht en dan met een lichte verzuchting zegt: ""Ja! Wie verzint zoiets, hè?'' Tot die bescheidenheid heeft mijn mop me nog niet in staat gesteld.

Tot dusver gaat het hier over gewone moppen, maar je hebt ook de "practical jokes', moppen die in hun eerste fase geacteerd worden, bestaan dank zij de handeling, en dan voortleven als verslag van die handeling. Er bestaat een boek over, The Complete Practical Joker, waarin de klassieke in het genre zijn opgeschreven. In de meeste moppen wordt de lachlust gewekt door het slachtoffer, bij de voltooiïng van zijn ondergang. Meestal gaat het daarbij goedaardig toe. In de "practical joke' ondergaat het slachtoffer een wreedaardige behandeling.

In de hier genoemde encyclopedie van de "practical joke' ontbreekt de geschiedenis die ik nu ga opschrijven. Op alle gebieden lijden we onder de omvang van ons taalgebied.

Eerst nog dit. Het gaat hier om een zeer ingewikkelde geschiedenis, die ik voor het laatst een jaar of vijftien geleden gehoord, of misschien verteld had. Hebt u er weleens bij gestaan, of gezeten, terwijl er een zoogdier werd geboren? Een kat, of een hond of een soortgenoot van juffrouw Laps? In het kort kan ik zeggen dat zoiets niet in een vloek of een zucht gebeurt. Op die manier gaat het ook met het tevoorschijn brengen van een ingewikkelde herinnering, met dit verschil dat je dan zelf de barende zowel als de verloskundige bent. Het ongeluk wilde bovendien dat deze herinnering in mijn geheugen in stuitligging was opgeborgen. Ik zal u niet vertellen hoe ik haar tenslotte in haar geheel weer ter wereld heb gebracht (dat is het merkwaardige van herinneringen: dit kan ze meer dan één keer gebeuren), omdat het dan veel te ingewikkeld wordt. Ik vertel het in de natuurlijke fasen: van kop naar staart.

Fase 1. Tientallen jaren geleden was er een hoofdredacteur van Vrij Nederland die Johan Winkler heette. Hij was ook muziekliefhebber. In zijn weekblad schreef hij een pagina over Tsjaikowski, waarin hij de componist eerde maar ook melding maakte van bepaalde faux pas.

Fase 2. Een paar dagen later krijgt (we gaan over in de tegenwoordige tijd zoals dat bij dit soort verhalen hoort) Winkler een brief van iemand die zich de neef van Tsjaikowski noemt. Complimenten voor het uitstekende artikel, maar zijn oom heeft nooit één faux pas begaan. Wil Winkler dit herroepen!

Fase 3. W. wordt opgebeld door de geneesheer-directeur van gesticht A. Heeft hij een brief gekregen van de neef van enz.? Ja. Welnu: die wordt hier verpleegd. Het zou de therapie ten goede komen als deze brief in VN werd gepubliceerd.

Fase 4. W., menslievend man, doet dit. Het nieuwe VN met de brief van de neef komt uit. Daar gaat bij W. weer de telefoon. De directeur dankt hem voor de medewerking, maar heeft ook minder goed nieuws. De verpleegde wil honderd zilveren guldens als honorarium. Kan W. die even brengen, hij krijgt ze daarna meteen terug. Het is ten behoeve van de therapie.

Fase 5. Een uur later. Opnieuw de directeur bij W. aan de telefoon. Slecht nieuws: de patient is ontsnapt, waarschijnlijk op weg naar VN om zijn honderd zilveren guldens op te eisen, en hij is gevaarlijk. W. barricadeert zich.

Fase 6. Een uur later. Weer de directeur aan de telefoon. Goed nieuws: verplegers hebben de patiënt teruggebracht, maar hij blijft zijn honorarium eisen, is onhandelbaar, en het zou de therapie redden als W. onmiddellijk naar de inrichting kwam met die honderd zilveren guldens.

Fase 7. W. gaat op weg, met het bedrag, naar gesticht A. Terwijl hij in de taxi zit, gaat op het bureau van de geneesheer-directeur de telefoon. Aan de lijn is zijn collega van inrichting B: ""Zorgwekkende geschiedenis! Er is bij ons een patiënt ontsnapt die zich in zijn hoofd heeft gezet dat hij hoofdredacteur van Vrij Nederland is, en dat hij honderd zilveren guldens moet afdragen aan de neef van Tsjaikowski die bij u wordt verpleegd.''

Fase 8. W. meldt zich bij inrichting A: Ik ben hoofdredacteur van VN en ik kom honderd zilveren guldens geven aan de neef van Tsjaikowski. Men is daar op de bezoeker voorbereid. Het duurt dan nog geruime tijd voor W. weer op vrije voeten is.

Terwijl ik deze geschiedenis na tien of vijftien jaar weer uit mijn geheugen trok alsof ik, zoals gezegd, aan een moeilijke verlossing bezig was, groeide mijn respect voor degene die er de bedenker van is.

Destijds was het verhaal bekend onder de titel Johan Winkler en de neef van Tsjaikowski. Uitzonderlijk. Naam en toenaam van de auteur zijn bewaard gebleven: Dick Sternheim. Hij is, denk ik, een jaar of tien geleden gestorven toen hij 54 was.

Sternheim was schrijver, vertaler, journalist en columnist, dit laatste onder het pseudoniem Jan Punt. Hij was een van de weinigen in onze literatuur met een bizar, boosaardig talent, had daarbij geen ambitie voor de maatschappelijke ladder en werd dus in zijn latere jaren gekweld door het gevoel miskend te zijn. Ik luisterde graag naar hem. Nadat ik dit verhaal had gehoord, wilde ik van hem weten hoe hij iets zo ingewikkelds had kunnen verzinnen. Hij schoot in de lach. ""Die Winkler geloofde alles, ik was wel gedwongen er telkens weer iets aan te breien.'' Sternheim had het gezicht van een faun. ""It takes two to tango'', zei hij.