De bittere smaak van vrijheid; Slovenië is altijd "anders' geweest

Duizend jaar lang heeft Slovenië met de rug naar de Balkan gestaan en met het gezicht naar Europa: lees Duitsland en Oostenrijk. De Slovenen wijken sterk af van de broedervolkeren in het voormalige Joegoslavië. Rustige individualisten, ze passen zich aan, zijn pragmatisch. Nu zijn ze los, voor het eerst in hun geschiedenis. Het wachten is op de kater.

Slovenië, zegt Matjaz Kmecl, is maar een bloempot aan de zuidkant van de Alpen, een ministaat. Een ministaat met een sterke levenswil, met een sterke economie, met goede kansen zich overeind te houden en met een eigen identiteit. Maar toch, zegt Matjaz Kmecl, we zijn maar zo groot als een bloempot, en de mensen hier realiseren zich dat nog niet werkelijk. Het is een actueel vraagstuk, zegt Matjaz Kmecl, maar niet hier. Nog niet.

Ljubljana in december: sneeuw en rijp, een winterzonnetje. De groene rivier slingert zich dampend tussen hoge stille kaden, tussen grote herenhuizen in pasteltinten, huizen met torentjes en koepeltjes en bewerkte gevels. Luxe winkels, nieuwe auto's, welvarende mensen: zelfs de straatvegers zijn hier netjes gekleed. In groen uitgeslagen brons kijkt France Preseren, de nationale dichter, staande onder de rode gevel van de zeventiende-eeuwse barokkerk op het centrale plein van de oude stad, op naar de burcht op de heuvel, langs de Jugendstil-façades en over de drie naast elkaar gelegen bruggen over de rivier. Driehonderdduizend inwoners. Een stad van barok. Een Oostenrijkse stad. Een Middeneuropese stad: niets hier is Balkan.

Slovenië, zeggen de Slovenen, heeft duizend jaar met zijn rug naar de Balkan en met zijn gezicht naar Europa gestaan: een Duits en Oostenrijks verleden. Het was France Preseren die anderhalve eeuw geleden schreef dat de Slovenen hun Slavische moeder hebben verruild voor een Duitse vroedvrouw, en als France Preseren dat betreurde, dan alleen omdat ze wellicht meer van hun vroedvrouw zijn gaan houden dan van die moeder. Eeuwenlang maakte Slovenië deel uit van het Duitse en Oostenrijkse rijk, van het Habsburgse rijk, het werd bestuurd vanuit Wenen, de eerste Sloveense drukkerij stond in Tübingen, hun eerste bijbelvertaling, hun eerste grammatica en hun kerkrecht kwamen uit Duitsland, de naam Laibach kwam eerder in documenten voor dan de naam Ljubljana, hun barok kwam uit Wenen, en zelfs hun nationale dichter France Preseren schreef behalve in het Sloveens ook in het Duits.

En toch: een Sloveense identiteit? Ja, zegt Matjaz Kmecl, filosoof, slavist, literatuurwetenschapper, schrijver (""niet zo'n goede'') en als lid van het staatspresidium ook politicus (""maar slechts en passant''): toch een Sloveense identiteit. ""Tegen alle verdrukking in, want verdrukking was er: eeuwenlang dreigde onze taal te verdwijnen. Vergelijk het met het Tsjechisch, dat na 1620 langzaam een keukenmeidentaal werd, die enkel nog voorkwam in oude liederen en sprookjes voor zij in de vorige eeuw werd herontdekt. Met ons ging het nog slechter, want de Tsjechen konden zich nog vastgrijpen aan de reformator Hus, en aan hun prachtige hoofdstad. Wij hadden geen Hus, we hadden ook geen hoofdstad: Ljubljana was een provinciedorp, we vielen onder verschillende Oostenrijkse provincies. Slovenië is nooit zelfstandig geweest. Tot 1880 werd het onderwijs hier uitsluitend in het Duits gegeven, we wilden wel autonomie maar kregen die niet. Alles wat Sloveens was, was ondergronds, was illegaal.''

Een volk van boeren, zonder een aristocratie en een bourgeoisie die het in staat zouden hebben gesteld een vuist te maken. Een volk zonder helden, zonder verleden, weggedrukt tussen grotere volken. En toch overleefde de taal: Slovenen, zegt Matjaz Kmecl, zijn aanpassers, zijn pragmatici, we zijn geen heethoofden. Zelfs nu nog nemen de taal en de schrijvers, nog meer dan elders in deze helft van Europa, een speciale plaats in: ze worden gekoesterd, je komt schrijvers tegen in de leiding van elke partij. Tsjechoslowakije koos een schrijver tot president, Slovenië maakte vele schrijvers minister of lid van het staatspresidium.

"Anders'

Het Oostenrijkse verleden heeft de twee miljoen Slovenen "anders' gemaakt dan de broedervolkeren in het voormalige Joegoslavië, anders ook dan de Kroaten, met wie ze wel een Habsburgs verleden delen, maar die vanuit Boedapest werden bestuurd en van wie ze werden gescheiden door een grens die er altijd is geweest: onze oostgrens, zegt Matjaz Kmecl, is vele eeuwen oud, was ooit de grens tussen het West- en het Oostromeinse rijk. De Slovenen, zeggen hun critici, zijn de Pruisen van Joegoslavië, ze zijn pedant, ze zijn gierig. De Slovenen, zeggen hun vrienden, zijn ijverig en verstandig en betrouwbaar, ze hebben hun eigen Europese levensstijl en levensritme. Harde werkers, ze maakten maar acht procent van de Joegoslavische bevolking uit, maar produceerden een kwart van de Joegoslavische export. Milovan Djilas schreef hoe hem in 1933, toen hij met Sloveense communisten in de gevangenis zat, opviel dat ze in het Servisch vloekten, eigen vloeken hadden ze niet: ""Wij van onze kant hielden op met vloeken, om hun goede Europese manieren niet te storen.'' In Slovenië, schreef Djilas, werden opgepakte communisten niet, zoals elders in Joegoslavië, mishandeld, en als het toch gebeurde, dan gebruikten de Slovenen daarvoor ingehuurde Servische politiemannen. Rustige individualisten. Kijk naar onze volksdansen, zeggen ze zelf, wij dansen in paren, niet in groepen, zoals de andere volkeren in het zuiden en oosten.

Er zit aan dat "anders zijn' ook een schaduwkant, zegt Kmecl: binnen Joegoslavië voelden we ons als een Herrenvolk, we kregen een zekere arrogantie over ons, die andere volkeren, de Serviërs en de Montenegrijnen en de Macedoniërs, irriteerden ons, ze kostten ons geld, we keken op hen neer. We hadden complexen, we waren de beste republiek, maar we waren maar klein, we waren maar periferie.

Nu zijn ze los, de Slovenen: een eigen staat, voor het eerst in hun geschiedenis. De kater komt nog, zegt Kmecl: ""We hebben nog steeds de illusie dat alles goed gaat als we maar hard genoeg roepen "Ik ben een Sloveen en ik wil vrij zijn'. De kater komt nog. Maar dat kun je hier nog niet hardop zeggen.'' Slovenië, zegt hij, is nog in zijn euforische fase. ""Nationalisme is een kwestie van conjunctuur, die voor mij aan corruptie grenst: al die nationalisten hoorde je vroeger nooit, ze liepen braaf mee in de partij en zijn vorig jaar op de kar gesprongen. Dat nationalisme is niet authentiek. We werken nog met surrogaten. Het bewustzijn dat we nu zelf voor onszelf moeten zorgen, is er nog niet.''

Tragedie

Onafhankelijkheid. Er is ooit, in 1918 en opnieuw in 1945, veel enthousiasme geweest voor de idee Joegoslavië, zegt Jelko Kacin, minister van informatie, de idee van de federale eenheid tussen de Zuidslavische broedervolken sprak de Slovenen aan, na al die eeuwen Oostenrijkse overheersing. Maar beide keren is dat enthousiasme snel verdwenen, en wel voorgoed: ""Zesenveertig jaar is genoeg geweest. Joegoslavië was een euforie die eerst een komedie werd, vervolgens een drama en uiteindelijk een tragedie. En toen de Slovenen zich eind vorig jaar konden uitspreken over de onafhankelijkheid, deden ze dat met maar één gedachte: weg van deze craziness, weg van deze structuur die ons ons laatste zelfrespect ontnam, weg van dat zinkende schip - ook al is het water koud en weten we niet goed of we wel kunnen zwemmen.'' We wisten misschien vorig jaar nog niet zeker, zegt Jelko Kacin, of die beslissing goed was of slecht. ""Nu zien we wat er in Kroatië gebeurt. Nu weten we het zeker: het was de juiste beslissing.''

Het heeft ons, zegt hij, ons zelfrespect teruggegeven: ""Niemand worstelt meer met de vraag of we als volk niet te klein zijn. Misschien hebben we wel te veel trots, te veel zelfvertrouwen. Veel mensen beseffen nog niet dat er offers nodig zijn, economische offers. We zijn de Joegoslavische markt kwijt, dat zal ons nog heel wat hoofdbrekens kosten. We hebben nog niet voldoende politieke cultuur, ons parlement is gekozen op basis van toevalligheid, op basis van de anti-communistische emotie, vol onbekenden, die te veel tijd verliezen met gebeuzel. Maar ons voordeel is dat we hier al vele jaren een verstandig en liberaal communistisch bewind hadden, een bewind dat met de oppositie sprak, ook al was die niet legaal. Onze communistische partij genoot een zeker respect, het was de partij die uit de Joegoslavische communistische partij stapte, die alle dogma's aan haar laars lapte.'' Het Oosten was rood, wij zijn nooit rood geweest, zegt Jelko Kacin. ""We hebben gereisd, we kennen de wereld, we hebben een voorsprong op de rest omdat we weten wat er in die wereld omgaat.''

Geen wraak

Pragmatici. Ze zijn onorthodox en flexibel, de Slovenen. Toleranter dan de rest. Het afscheid van het communisme gaat hier, in deze Alpenrepubliek, met minder convulsies en verbaal geweld en felle emoties gepaard dan elders. Hier geen wraak op de oude communisten: de Slovenen kozen Milan Kucan, de laatste leider van hun communistische partij, tot president, en niemand in dit kleine land is populairder dan hij. De regering bestaat uit een merkwaardige mengeling van schrijvers, technocraten, ex-dissidenten en ex-communisten - ook al is de ex-communistische partij in de oppositie.

Hier geen omdoping van straten, Tito en Kardelj en Kidric en al die andere oude communisten komen nog als vanouds in de straatnamen voor, want, zegt Jelko Kacin, zo'n omdoping kost geld, je moet ook de telefoonboeken veranderen en de identiteitskaarten waarop adressen voorkomen. Maar belangrijker, zegt hij, is het besef dat je de geschiedenis niet moet herschrijven: ""Tito en Kardelj en Kidric maken deel uit van onze geschiedenis, of we dat nu leuk vinden of niet. We kijken liever naar de toekomst. Als je alleen naar het verleden kijkt word je als Servië, waar ze alléén maar dromen van hoe machtig ze toen waren, zoveel eeuwen geleden. Natuurlijk, dat kun je doen, dat is leuk, je kunt er heel wat tijd mee doodslaan. Maar aan het eind weet je nog niet waar je heen gaat.''

En dus zal ook het standbeeld van Boris Kidric, de man die hier het stalinisme opbouwde, wel voor het bureau van het staatspresidium aan de Erjavceva Cesta blijven staan, een kaarsrechte, strenge man van ijzer, de handen in de zij, half op de rug: hij kan elk moment iets uitschreeuwen. Kmecl ziet hem uit zijn werkkamer: ""Ik hoop dat hij blijft. Hij was een onverbeterlijke stalinist, maar hij was ook een groot organisator van de partizanenstrijd. Het zou jammer zijn als hij verdween, als je - zoals wij - geen staatstraditie hebt, moet je zuinig zijn op het weinige dat je hebt.''

De Slovenen, zegt Niko Grafenauer, de belangrijkste dichter van het land - zijn kantoor bij het tijdschrift Nova Revija was ten tijde van de tiendaagse oorlog van het leger tegen Slovenië het centrum van het Sloveense verzet -, bevinden zich in een vacuüm: ze hebben zich onafhankelijk verklaard en ze weten dat er geen weg terug is, maar die onafhankelijkheid is nog niet erkend. ""Het is nog steeds een euforische fase. Onafhankelijkheid is als manna en velen weten niet wat het inhoudt en wat er straks komt. Stakingen, denk ik. We zullen weer met de voeten op de grond belanden.''

Fürstenstein

De Slovenen hebben hun eigen staatsstructuren gevestigd, ze hebben hun eigen munteenheid, de tolar, met de bijbehorende biljetten: wat zielige biljetten, allemaal van gelijk formaat en met dezelfde afbeelding, de Triglav ("Drietop'), Slovenië's (en vroeger Joegoslavië's) hoogste berg, alleen de kleur en de waarde verschillen op de biljetten. Ze hebben de Slovenen al direct hun eerste conflict opgeleverd, want op de achterkant van de biljetten staat de Fürstenstein, de troon van de hertogen van Karinthië, die ook in Slovenië de dienst uitmaakten. De Fürstenstein is het nationale symbool van Karinthië, dat die troon op de tolarbiljetten stond viel slecht in het buurland. De Slovenen haalden er eerst hun schouders over op, de Oostenrijkers zetten ook Lippizaner paarden op hun bankbiljetten, en iedereen weet dat de Lippizaner een Sloveens ras is, hebben wij daar moeilijk over gedaan? Maar er komen toch nieuwe tolarbiljetten, zonder Fürstenstein, Oostenrijk is heel belangrijk voor ons. Grafenauer schaamt zich voor die zielige biljetten, ""het zijn maar bonnen''. De nieuwe, zegt hij, worden heel mooi.

Grafenauer - een zwierige man met een stem als een rasp en grijzend haar en grote blauwe ogen - ziet gevaren in de politieke bewegingen binnen het vacuüm: nationalisme en clericalisme rukken op, zegt hij, de christen-democraten met hun abortusfobie houden de nieuwe grondwet tegen en de nationalisten houden huis op de verkeerde manier: ""Het Sloveense poppentheater is wereldberoemd. De directeur komt uit Bosnië. Hij moet nu opeens een Sloveens diploma hebben en Sloveens spreken. Het is de verkeerde manier.'' Grafenauer hoopt op snelle verkiezingen, die van vorig jaar, zegt hij, waren niet voor maar tegen iets: tegen Joegoslavië en tegen het communisme. Nieuwe verkiezingen zullen duidelijk maken waar de nationalisten zitten.

Zijn Nova Revija is een morele waakhond in Slovenië. Vroeger keerde het zich tegen het communisme en tegen het Servische centralisme. Vier jaar geleden, toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, zei Grafenauer: ""Als Belgrado hier de macht krijgt, ben ik de eerste die tegen de muur wordt gezet.'' Hij moet lachen als hij aan die uitspraak wordt herinnerd. Nu liggen de uitdagingen elders: nu moeten de schrijvers de Slovenen waarschuwen tegen de gevaren van het nationalisme.

Slovenië, zegt hij, heeft een tolerante samenleving, we lijken in veel opzichten op Oostenrijk, maar dan zonder het rechts-extremisme van Jörg Haider: Slovenië telt tienduizenden immigranten, vooral Albanezen uit Kosovo - het Sloveense verzet tegen de meedogenloze Servische bezetting van Kosovo leidde jaren geleden de breuk tussen de twee republieken in - maar nergens vormen ze een sociaal probleem en nergens is hun aanwezigheid controversieel. ""Dat moet zo blijven, en de schrijvers hebben daar een taak. Nova Revija is klein, de oplage is maar 1600 exemplaren. Maar haar invloed is heel groot.''

Hij is er trots op dat het nationalisme nooit in zijn chauvinistische vorm is overgeslagen op de schrijvers van Slovenië: er zijn geen nationalistische schrijvers. Als er nationalistische thema's bestaan in de literatuur, dan alleen in de zin dat we onze taal koesteren. ""Onze taal is onze ziel. Wat ben ik zonder taal? Niets. Ik kan niet dichten in het Duits. We hebben eeuwenlang onder druk gestaan, de Oostenrijkers hebben altijd getracht ons te assimileren. De taal heeft ons gered. Kijk naar de Kroaten, ze weten niet eens welke taal ze spreken, Serviërs en Kroaten slaan elkaar dood, maar ze zijn Siamese tweelingen.''

Mislukt experiment

De uitroeping van de Sloveense onafhankelijkheid is het afscheid van een mislukt experiment: heel lang hebben de Slovenen geloofd dat de culturele kloof tussen Oost en West in het oude Joegoslavië kon worden overbrugd, dat de banden met de ""bloedbroeders en taalneven'' in het oosten en zuiden sterker zouden blijken te zijn dan de culturele verschillen. Het mislukte.

Het mislukte eerst onder de dictatoriale monarchie met haar theorie van één natie van diverse stammen, en daarna onder het communisme met zijn leuze van broederschap en eenheid. De kloof was te breed: het was de kloof tussen Oost en West, de kloof tussen de noordwaarts kijkende Slovenen en de Kroaten enerzijds, en de Serviërs aan de andere kant, met hun Byzantijnse verleden, hun Turkse verleden. De Serviërs en de volken van het zuiden en oosten, zeggen de Slovenen, hebben de drie aardschokken niet meegemaakt die ons hebben gemaakt tot wat we zijn: de Renaissance die ons naast levensvreugde ook het besef heeft bijgebracht dat de autoriteit gekritiseerd kan worden, de Reformatie die de mens heeft geleerd direct met God te communiceren en die de basis is geworden van onze ethiek, en de Verlichting met haar nadruk op individualisme, menselijke waardigheid, burgerrechten en vrijheid.

De Serviërs? Servië is Byzantijns-Turks gebleven, autoritair, orthodox: duizend jaar van versteende structuren, duizend jaar van onaantastbare hiërarchieën, een kloof die niet te overbruggen viel door de banden van de taal. Byzantijnse serviliteit, levantijnse sluwheid, dat is Servië. Zie Dubrovnik. Zie Vukovar. Zie veertien geschonden bestanden. De Servische president Milosevic, zeggen de Slovenen, past in dezelfde categorie als Hitler en Mussolini, en de Serviërs vereren hem, en Europa beseft het niet. Lord Carrington zegt dat Servië de prima-donna van Joegoslavië is en dat je de prima-donna moet geven wat haar toekomt. Het is hetzelfde appeasement als in 1938. We zijn geen dikke vrienden met de Kroaten, er is heel wat aan te merken op wat ze doen. Maar wat doet Servië? Begrijpen jullie het nog altijd niet? En begrijpen jullie niet dat Slovenen Westerlingen zijn, dat onze mentaliteit, onze levenswijze Westers is? Grafenauer: ""De Servische schrijver Dobrica Cosic was mijn vriend. We hebben samen dissidente teksten gepubliceerd. Nova Revija heeft zijn dissidente teksten gepubliceerd toen hij in Servië niet kon publiceren. En nu? Waar is hij? Vukovar is vernietigd. Dubrovnik wordt in puin geschoten. Waar is nu Dobrica Cosic? Ik heb zijn stem nodig. Waar is hij?''

YU

Ljubljana in december. Op de Titova Cesta in het centrum staat een stalletje waar twee kleumende jongens nationalistische symbolen verkopen: stickers, speldjes, boeken, Sloveense vlaggen, het wit-blauw-rood met de Triglav. Ze staan er voor niets, bijna niemand koopt iets. De meeste automobilisten rijden nog rond met het oude landenteken YU op hun auto, maar weinigen hebben het nieuwe landenteken SLO aangebracht of de rode ster op het nummerbord overgeplakt met het Triglav-wapen.

Symbolen zijn hier minder belangrijk dan elders, je hoeft niet je nummerbord te veranderen of de vlag uit te hangen om duidelijk te maken dat je niet twijfelt aan de Sloveense onafhankelijkheid. Het is wellicht typisch: een volk van pragmatici. Flexibel. Aanpassers. ""We zijn katholiek'', zegt Matjaz Kmecl, in zijn ruime kantoor in het staatspresidium, uitkijkend op het standbeeld van de strenge Boris Kidric in het besneeuwde parkje, maar onder die katholieke oppervlakte gaat veel protestantisme schuil. ""We zijn niet rechtlijnig hier, in onze bloempot aan de zuidkant van de Alpen. We zijn sceptici. We zijn geboren dissidenten.''

""Die laatste houding is misschien goed bedoeld, maar daarmee stel je de leden van de koninklijke familie zo ongeveer onder curatele. Uit menselijk oogpunt kan je dat niet doen. Maar ook uit een oogpunt van praktische politiek niet: geen minister kan verantwoordelijk zijn voor een hele familie. En misschien is het ook voor de monarchie het beste als de persoonlijke vrijheid van zoveel mogelijk van deze mensen optimaal is. Anders zeggen de leden van het Koninklijk Huis nog eens: we doen het niet meer.''