CREATIVITEIT

Creativiteit, mythen & mechanismen door Margaret Boden 320 blz., De Haan 1991, vert. Relinde Nefkens (The Creative Mind, 1990), f 55,- ISBN 90 269 6242 8

Willem de Kooning lijdt aan Alzheimer. Dit belet de 87-jarige schilder niet om nog dagelijks schilderijen te maken, in een volstrekt nieuwe stijl: grillige, egaal gekleurde vlakken met zwarte omtrekken. Het heeft in de kunstwereld tot een bizarre discussie geleid. Sommige critici weigeren deze schilderijen nog serieus te nemen. Het werk van iemand die niet meer bij vol bewustzijn is, kan niet het produkt zijn van een creatief genie. Anderen, onder wie psychologen en neurologen, stellen dat creativiteit zich grotendeels in het onbewuste afspeelt. Zij beschouwen De Koonings recente werk wel als creatieve scheppingen.

De psychologe en filosofe Margaret Boden zou zich bij de tweede groep critici scharen. In haar boek Creativiteit keert zij zich tegen de heersende opinie dat creativiteit een zeldzame gave is, voorbehouden aan een gelukkige enkeling. Volgens haar is dit een romantische mythe.

Boden beschouwt creativiteit als een algemene menselijke eigenschap, vergelijkbaar met intelligentie. Of het nu om de grappen van de baas gaat of om de sonnetten van Shakespeare, iedereen is in zekere mate begiftigd met creativiteit. Boden maakt hierbij onderscheid tussen psychologische creativiteit, het vermogen dat iedereen heeft om zichzelf met nieuwe ideeën te verrassen, en historische creativiteit, werkelijk nieuwe inzichten die de kunsten en wetenschappen ingrijpend beïnvloeden. Boden beperkt zich voornamelijk tot de eerste, alledaagse, vorm van creativiteit.

Met behulp van aan kunstmatige intelligentie ontleende theorieën wil zij een verklaring voor het verschijnsel geven. Dit betekent niet dat volgens haar de huidige computers de menselijke geest evenaren. Maar sommige computerprogramma's lijken tenminste enkele aspecten van creativiteit te kunnen nabootsen, zoals associatie en het maken van analogieën. En computerprogramma's hebben één voordeel boven een menselijk brein: ze werken volgens regels die van a tot z zijn opgeschreven.

In haar boek neemt Boden de paradox weg dat creativiteit ""scheppen uit het niets'' zou zijn. Als ideeën werkelijk uit de lucht komen vallen, is er ook niets te verklaren. Daarom definieert Boden creativiteit als een proces waarbij bestaande "conceptuele ruimtes' worden verkend, en nieuwe worden betreden.

Een voorbeeld van dit proces, dat zich op de rand van het bewustzijn afspeelt, is de plotselinge flits van inzicht, oftewel intuïtie. Neem nu de ontdekking van de structuur van de gesloten benzeenring in 1865 door de scheikundige Friedrich von Kekulé. ""Ik schoof mijn stoel bij de haard en dutte in,'' schreef Kekulé, ""De atomen dartelden weer voor mijn ogen. (...) Alles kronkelde en draaide in slangachtige bewegingen. En kijk! Wat was dat? Een van de slangen had zijn eigen staart te pakken en de vorm draaide spottend voor mijn ogen rond. Als door de bliksem getroffen werd ik wakker.''

Boden verklaart deze ontdekking uit het feit dat Kekulé tijdens zijn slaap enkele regels overtrad, waar hij bij vol bewustzijn niet aan had durven denken. In zijn droom betrad hij een nieuwe "conceptuele ruimte', en werd de aromatische scheikunde geboren. Dit aanboren van nieuwe "conceptuele ruimtes' is voor Bodens verklaring van creativiteit essentieel. Pas als zo'n bestaand patroon van denkregels wordt doorbroken, kan een "nieuw' inzicht ontstaan.

Computerprogramma's komen goed van pas om "conceptuele ruimtes' in kaart te brengen. Boden bespreekt er een aantal, variërend van een jazz-improvisatieprogramma, tot de jongste stroming in de kunstmatige intelligentie: neurale netwerken. Deze programma's bootsen de hersenstructuur na, en daarmee de werking van leerprocessen. Kenmerkend is dat de informatie niet lokaal wordt opgeslagen, zoals in de traditionele programma's, maar over een fors aantal "neuronen' wordt verdeeld. Zo'n netwerk kan bijvoorbeeld werkwoorden leren vervoegen, zonder de grammaticaregels te kennen. Uit een paar voorbeelden van werkwoorden leidt het de verleden tijd af door middel van associatie. Opvallend is dat deze netwerken, net als kinderen, overgeneraliseren: de verleden tijd van "geven' wordt "geefde'. Computers kunnen soms nieuwe ideeën aandragen, maar ze kunnen hun ontdekkingen niet als zodanig herkennen. En dat is een andere voorwaarde voor echte creativiteit.

Tot slot, voor de fans van Douglas Hofstädter (Gödel, Escher, Bach): deze vertaling bevat een bespreking van zijn Copycat-programma dat analogieën kan opsporen, die in de Engelse editie ontbreekt.