Centraal-Azië wil af van zijn koloniale status

MOSKOU, 21 DEC. Noersoeltan Nazarbajev is de ster, de man die het in Centraal-Azië fikst. Maar eigenlijk is Askar Akajev de aardigste en misschien ook wel de dapperste. Zijn probleem is echter dat hij geen president is van de atoomstaat Kazachstan, met zijn enorme economische potentieel, maar van de minirepubliek Kirgizië, een tegen China aangedrukt land met slechts vier miljoen inwoners.

Toch speelt hij tegenwoordig een rol. Akajev heeft dat te danken aan de staatsgreep. Terwijl de collega-presidenten op 19 augustus her en der de kat uit de boom keken, koos de Kirgizische regeringsleider meteen positie. Op die maandagmorgen kreeg hij een telefoontje van de regionale militaire commandant die hem een ultimatum stelde: u ontslaat uw eigen garde óf ik kom eraan. Akajev deed echter precies het omgekeerde. Hij ontsloeg de lokale KGB-chef en alle mensen in het staatsapparaat die hij niet vertrouwde, liet loyale troepen van de binnenlandse strijdkrachten het regeringsgebouw en het omroepkwartier barricaderen, sprak vervolgens het volk toe en verzocht daarna de radio om de verzets-oproep van de Russische president Boris Jeltsin in Moskou elke twee uur uit te zenden. Het kwam hem te staan op een telefonische reprimande van voorzitter Vladimir Krjoetsjkov van de overkoepelende staatsveiligheidsdienst. Als de Kirgizische KGB-chef niet in zijn functie zou zijn hersteld, dan zou er binnen tien dagen “actie” volgen. “Wij kunnen nog geen tien minuten wachten”, repliceerde Akajev. Achtenveertig uur later was Krjoetsjkov gearresteerd en was parlementsvoorzitter Akajav ineens dé man. Zijn “zijden-revolutie” - in Kirgizië is men er trots op ooit het centrum te zijn geweest van de zijderoute tussen Europa en China - is sindsdien doorgerold.

Hoe anders was het elders in Centraal-Azië. Nazarbajev wachtte aanvankelijk af en riep slechts op tot “rust”. Partij- en regeringsleider Islam Karimov in Oezbekistan deed er helemaal het zwijgen toe. De Toerkmeense regeringschef Saparmurad Nijazov volgde dat voorbeeld eveneens. En "president' Kachar Machkamov van Tadzjikistan sprak zich zelfs openlijk voor de junta uit, net als zijn collega Ajaz Moetalibov van Azerbajdzjan.

Slechts één van deze vijf weifelende dan wel collaborerende mannen heeft hiervoor na het fiasco van de coup moeten boeten: de Tadzjikistaanse president. Het paradoxale is bovendien dat hij inmiddels is vervangen door een man die nog meer affiniteit heeft met de gemankeerde putschisten: Rachmon Nabijev, de partijleider uit de Brezjnev-epoche in deze vijf miljoen inwoners tellende republiek. Via een parlementaire coup en onduidelijke verkiezingen, waarbij hij 58 procent van de stemmen verwierf, zit hij thans officieel als president te paard.

En toch is het veel minder ongerijmd dan het lijkt. Eigenlijk is Akajev de uitzondering, de intellectueel die in Leningrad heeft gestudeerd. De anderen zijn juist de tolken van de normaliteit.

In Moskou is het islamitische zuiden van de Sovjet-Unie altijd gezien als een achterlijk gebied. Vandaar dat de partij er als tweede partijsecretaris meestal een Rus dropte die de eerste man, een autochtoon die als "token-nigger' moest dienen, in het gareel te houden. Dat leek ideologisch en centralistisch, maar was het veel minder. Want die lokale leiders bleven voor het Sovjet-gezag onontbeerlijk. Ze waren de ingang tot de plaatselijke clans die de gebieden van oudsher hadden bestuurd. Zonder deze makelaars en zonder deze regionale clans was er ook voor de Sovjet-macht weinig uit te richten. Nabijev bijvoorbeeld was niet alleen een brezjnevist, hij was bovenal dé representant van de elite van Leninabad. En dat is hij nog steeds. De grote corruptie-affaire in Oezbekistan, die een paar jaar geleden zelfs de schoonzoon van Brezjnev voor het gerecht bracht, was eveneens slechts een topje van de ijsberg.

Dank zij de terreur van Stalin, die de moslims mogelijk nog harder heeft aangepakt dan de orthodoxe kerk, en de repressie daarna was dit bestuurlijke systeem tot voor kort overzichtelijk: het bleef een tweedimensionale wisselwerking.

Dat nu is door Gorbatsjovs glasnost veranderd. In de Centraalaziatische republieken en de Kaukasus kon dank zij de perestrojka langzaam maar zeker eindelijk weer die derde maatschappelijke factor de kop opsteken: de islam. De verschillende partijleiders hebben afgelopen jaren naarstig geprobeerd om dat te voorkomen. Oprichtingsvergaderingen van islamtische partijen werden verstoord (in de Tadzjikistaanse hoofdstad Doesjanbe), bijeenkomsten werden uit elkaar geslagen (in het Oezbeekse Tasjkent), geestelijke leiders werden gearresteerd of werd verboden zich kandidaat te stellen voor het parlement (eveneens in Oezbekistan), pelgrims werden vervolgens ook nog eens gefrustreerd in hun pogingen om naar Mekka te reizen door hun zeer hoge bedragen voor de uitreis-visa dan wel vliegtickets te vragen en mufti's werden van staatswege ontslagen.

Het heeft echter allemaal niet mogen baten. De islam is ondanks alles in opmars. Twee jaar geleden waren er bijvoorbeeld nog slechts honderdzestig moskeeën in Centraal-Azië, thans zijn het er al vijfduizend. Het aantal medresseh's (seminaries) groeit ook als kool. Om over de Koran nog maar te zwijgen. Die worden geleverd door de "heilige drukkerij' van koning Fahd in Saoedi-Arabië (een deal die Gorbatsjov twee jaar geleden heeft gesloten in de hoop zo het fundamentalisme de pas te kunnen afsnijden) en zijn nu overal in de voormalige Sovjet-Unie te krijgen.

Het fundamentalisme heeft er niet echt voet aan de grond gekregen. Maar het is desondanks wel deze islamitische revival die de presidenten in Centraal-Azië vooruit heeft geblazen richting economische hervormingen en liberalisering. Want de huidige stand van zaken in de volkshuishouding is deplorabel en dus een voedingsbodem voor radicale veranderingen in het oude maatschappelijke bestel. Bijna alle Centraalaziatische republieken zijn door de centralistische planeconomie namelijk zo goed als verwoest, infrastructureel en ecologisch. Het idee dat de Sovjet-Unie autark moest zijn, heeft van Oezbekistan bijvoorbeeld een monocultuur in katoen gemaakt. Samen met Toerkmenistan, Tadzjikistan, Azerbajdzjan en Kazachstan, levert het alle katoen aan de rest van de voormalige Unie. De irrigatie-projecten, die sinds Stalin zijn uitgevoerd en hele rivieren hebben afgesneden of omgelegd, hebben het land tot halve zoutwoestijnen geërodeerd. De gevolgen zijn niet gering. Kazachstan, rijker dan de andere Centraalaziatische republieken, en Azerbajdzjan, hebben een nationaal inkomen dat bijna twee keer zo laag is als dat van Rusland. Tadzjikistan komt net boven een derde van het Russische economische produkt uit.

Het is dit beeld dat de drie Slavische naties, die vorige week zondag in Brest hun "Gemenebest' sloten, beangstigt. Rusland kan zich niet geheel onttrekken aan de zuidelijke staten. Zij zijn stuk voor stuk al sinds de vorige eeuw of langer deel van het Russische rijk. Ze bieden bovendien de goedkope grondstoffen die onontbeerlijk zijn om de zaak in eigen land nog een beetje draaiende te houden. Zeker Kazachstan is met zijn kolen, mangaan, andere ertsen en zelfs uranium van eminent belang. En er woont ook nog een grote Russische minderheid. In Kazachstan leven bijna zeven miljoen Russen en in Oezbekistan ruim twee miljoen.

Maar anderzijds valt er in de islamitische republieken weinig te verdienen met afgewerkte produkten. De koopkracht is er te laag. Bovendien bestaat er een culturele afkeer tegen hen. De islam is sinds de tataarse "horden' voor de orthodox-christelijke goegemeente een soort natuurlijke vijand gebleven. Dat gevoel is de afgelopen jaren allerminst weggeëbt en wordt nu nog eens versterkt door de hoge geboortecijfers in het zuiden (er leven nu bijna zestig miljoen moslims in de oude Unie, twintig procent van de totale bevolking) en renaissance van de moslims in Rusland zelf, zoals in Tatarstan en Tsjetsjeno-Ingoesetië in de Kaukasus.

Heimelijk gaat het vandaag bij de besprekingen in de Kazachstaanse hoofdstad Alma-Ata dan ook om deze dubbelzinnigheden. Rusland, de Oekraïne en Wit-Rusland hebben weliswaar verklaard dat hun "Gemenebest' open staat voor iedereen, in welke mate ze dat ook echt menen moet nog blijken. Niet voor niets hebben de presidenten van deze drie republieken al hun argumenten tegen hun participatie rondgestrooid. De Oekraïense president, Leonid Kravtsjoek, wil niet komen omdat hij er geen reden toe ziet: het Gemenebest bestaat immers al en heeft dus geen “gelijkwaardige mede-oprichters” (een eis van de vijf Centraalaziaten) nodig. Zijn Wit-Russische collega, Stanislav Sjoesjkevitsj, heeft het over een andere boeg gegooid: hij wil geen nieuwe lidstaten waar etnische conflicten zijn. En die zijn er eigenlijk overal. Alleen in Kazachstan is het al jaren rustig.

Jeltsin heeft de minste problemen kunnen opperen. Maar ook hij kan nog wel een konijn uit de hoed toveren: de prijsliberalisatie. Die moet op 2 januari ingaan. Maar voor de Centraalaziatische landen is dat onaanvaardbaar. Die maatregel zal hen namelijk helemaal onderdompelen in hun toch al enigszins koloniale status. Wel grondstoffen leveren tegen roebels maar vervolgens geen afgewerkte produkten meer kunnen kopen omdat de eigen koopkracht dat niet toelaat: dat zou de sociale vrede al te zeer onder druk zetten. Als het aan Nazarbajev en zijn collega's ligt, zal er morgen in Alma-Ata dan ook nog serieus moeten worden onderhandeld.