ABP: leiding van miljardeninstituut gespleten

Honderdzestig miljard gulden beheert het ambtenarenpensioenfonds ABP - en steeds weer komen scherpe interne spanningen aan de oppervlakte. Moet het zo verder? Reconstructie van de vorige week beklonken samenwerking met Rodamco als illustratie van de verstoorde verhoudingen in het op één na grootste pensioenfonds ter wereld.

De afspraak is gemaakt. Er wordt alleen nog gezocht naar een geschikte datum, ergens in januari, en naar een passende lokatie, het liefst in een bosrijke omgeving. In ieder geval zal het dertien leden tellende bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) zich begin volgend jaar terugtrekken om de interne verhoudingen bij het fonds eens grondig door te nemen. Er zullen harde woorden vallen - dat staat vast.

Want zoals het de laatste maanden is gelopen, zo kan het niet langer, menen de meeste bestuursleden. Vanaf het eerste moment dat in oktober - officieel - sprake was van een aanstaande samenwerking met het Rotterdamse vastgoedfonds Rodamco bij buitenlandse beleggingen in onroerend goed, liepen de zaken fout. Voortdurend bestonden er misverstanden tussen de vele besluitvormende en toezichthoudende organen die het pensioenfonds kent. En ook in die organen zelf liep de spanning menigmaal hoog op. Tijdens een vergadering van de beleggingscommissie werd vorige week instemmend gegrinnikt toen de collegiale omgangsvormen in de top van het ABP met “het stiekem spannen van lijntjes” werden vergeleken: “Er gaat altijd wel iemand op zijn bek.”

Nu is het ABP het op één na grootste pensioenfonds ter wereld, met een belegd vermogen van 160 miljard gulden, met kantoren in Den Haag en Heerlen, met zo'n 3500 werknemers in dienst en met een topstructuur waar in totaal zestien mensen directe invloed hebben op het beleid, dus alleen al rekenkundig is de kans groter dan bij een gemiddeld beleggingsfonds dat mensen er op hun gezicht gaan. Maar toch. Gesprekken met medewerkers op de werkvloer, topfunctionarissen van het fonds en deskundigen die een professionele relatie met het ABP onderhouden, leren dat het pensioenfonds niet uitsluitend gebukt gaat onder de omvang van zijn organisatie. Er is meer aan de hand.

Noem de naam Polak en op de meeste gezichten verschijnt een blik van herkenning. Het onder leiding van de oud-burgemeester van Amsterdam geschreven rapport dat in 1984 op hardhandige wijze een eind maakte aan de loopbaan van hoofddirecteur dr. J.W. van der Dussen en directeur beleggingen drs. A.J.M. Masson, wordt ook nu nog gezien als een haarscherpe analyse van de problemen bij het pensioenfonds. En tegelijk als deel van het probleem. Want weliswaar was dat rapport aanleiding medio jaren tachtig de stofkam door het ABP te halen, hetgeen in brede kring noodzakelijk werd geacht, het rapport was ook de opmaat voor een nieuwe structuur van de organisatie - en daaraan blijken nog steeds vele haken en ogen te kleven.

De commissie-Polak stelde vast dat het binnen het ABP aan substantiële controle ontbrak. Daardoor kon Van der Dussen (“die het gezag, de ervaring en de eigenschappen van een erkende aanvoerder mist”) jarenlang een toppositie vervullen zonder interventie van de Raad van Toezicht, en was de “rommelige, solistische en onnauwkeurige” Masson in de gelegenheid zijn controleurs van de Centrale Beleggingsraad met een kluitje in het riet te sturen. Door het slepende strafproces dat vervolgens tegen Masson werd gevoerd, liep het pensioenfonds zware trauma's op.

De reactie lag voor de hand. Controle zou er voortaan zijn bij het ABP. En dus werd de zieltogende Raad van Toezicht vervangen voor een bestuur met verregaande bevoegdheden. Stelde Polak nog voor van het bestuur een soort raad van commisarissen te maken, het werd een besluitvormend orgaan, waardoor het feitelijk aan het hoofd van de organisatie kwam te staan. De voorzitter werd een full-time-functionaris, voor welke taak J.A.M. Reijnen, een in de KVP geschoolde oud-burgemeester van Heerlen, zijn diensten gaarne ter beschikking stelde. Haar leden recruteert het bestuur, net als vóór "Polak', bij de ambtenarenbonden (de zogeheten werknemersvertegenwoordigers) en onder Haagse topambtenaren (werkgevers). Het hoogste orgaan in de ABP-hiërarchie bestaat derhalve voor honderd procent uit mensen met een ambtelijke achtergrond.

En aangezien een dergelijke achtergrond geen garantie is voor deskundigheid in de wereld van het grote geld, werd - als vervanger van de Centrale Beleggingsraad - een Beleggingscommissie in het leven geroepen, die het bestuur adviseert bij nieuwe beleggingen. Daarin hebben uiteenlopende deskundigen als de twee ex-Robeco-directeuren drs. C. van Rijn en prof.dr. Th. M. Scholten zitting, evenals oud-Nationale Nederlanden-directeur drs. C. van Zwol en de voormalig directeur van het Shell-pensioenfonds drs. J.J. de Kort. Vriend en vijand vinden het een zeer deskundig gezelschap, maar - zoals verderop zal blijken - niet iedereen in het ABP is ervan overtuigd dat sommige leden, die functies hebben bij soortgelijke financiële instituten, bij hun oordeel uitsluitend het belang van het ambtenarenpensioenfonds voor ogen hebben.

Pag.18:

ABP-top wilde Rodamco liever overnemen; ABP-top discussieert eindeloos over de meest essentiële dingen

En dan is er nog de hoofddirectie, die in het post-Masson-tijdperk steeds in de slag is zich alle controleurs van het lijf te houden. Want naast de gecompliceerde interne structuur heeft de hoofddirectie ook nog te maken met externe toezichthouders als Binnenlandse Zaken, Financiën en de Algemene Rekenkamer. Daarom, stelde Polak destijds, moest de opvolger van Van der Dussen een moderne, breed georiënteerde manager zijn, die werd gevonden in de persoon van mr.drs. M.A.K. Snijders, afkomstig van de Sociale Verzekeringsbank. En hoofddirecteur beleggingen, de man die Masson moest doen vergeten, werd prof.dr. J.H.W. Goslings. De gewezen topman van Centraal Beheer geldt als een dynamische en inventieve figuur, zoals ook uit de geschiedenis van de deal met Rodamco is gebleken. Hij zal dan ook nog van het bestuur horen.

Toen de directies van het ABP en Rodamco op 11 oktober jongstleden in een persbericht bekendmaakten dat zij studeerden op vormen van samenwerking bij buitenlandse beleggingen in onroerend goed, moesten verscheidene leden van het ABP-bestuur hun uiterste best doen hun woede binnenskamers te houden. Het bestuur had immers de dag tevoren vergaderd, in Heerlen waren urenlang vele thema's uitgebreid besproken, maar met geen woord was door de hoofddirectie gerept over het aanstaande persbericht, terwijl het hier toch om een zaak van enige importantie ging. Het vaste adagium in de ABP-top - "het bestuur bestuurt, de hoofddirectie voert uit' - was op grove wijze met voeten getreden, meenden verscheidene bestuursleden.

En niet alleen het bestuur bleek buitenspel gezet. Ook de directeur onroerend goed, ir. W.G. Bleijenberg, werd pas op het laatste moment, enige uren voordat het persbericht op de fax ging, door de hoofddirectie geïnformeerd over de besprekingen met Rodamco. Dat was des te pijnlijker omdat Bleijenberg de dagen daarvoor signalen van zijn eigen medewerkers - sommigen hadden al een week eerder in detail informatie gekregen over inhoud en datum van het persbericht - als onzin van de hand had gewezen. “Het oude verhaal zingt nog steeds rond”, antwoordde Bleijenberg begin oktober aan diverse van zijn ongeruste collega's.

Het oude verhaal. Vanaf 24 september vorig jaar circuleerde het, toen Rodamco bekendmaakte dat het de aankoop van eigen aandelen staakte. Voordien had het vastgoedfonds van de Robeco-groep een hoog prestige verworven door te beloven dat het de stukken van aandeelhouders tegen intrinsieke - reële - waarde onder alle omstandigheden zou terugkopen. Wie in Rodamco belegde, kon zijn neus nimmer stoten. Maar “dat stukje ideaal moeten we prijsgeven”, zei bestuursvoorzitter prof.dr P. Korteweg van de Robeco-groep op 24 september 's ochtends. De onzekere situatie op de onroerend goed-markt had het fonds verplicht in twee maanden tijd voor 800 miljoen gulden aandelen van beleggers terug te kopen, en om te voorkomen dat de kas van Rodamco geheel leeg raakte, werd de belofte ingetrokken.

Voor het ABP lag hier een gouden kans, zo werd in de top vastgesteld. In zijn behoefte de beleggingen meer te spreiden had het pensioenfonds zich al eerder voorgenomen in tien jaar tijd het percentage van zijn belegd vermogen in onroerend goed te doen stijgen van 7,5 naar 15. Daarmee wil het zo'n dertien miljard gulden extra in vastgoedbeleggingen investeren. Een enorme opgave, want zelfs met een overname van Rodamco (belegd vermogen 6,8 miljard) zou het fonds net de helft van zijn doelstelling halen.

Dat er in de top van het pensioenfonds aanvankelijk werd gedacht aan een overname van het Robeco-fonds - in plaats van de vorige week beklonken samenwerking à 2,5 miljard - lag dan ook zeer voor de hand. En er werd niet alleen aan gedacht, er werd ook aan gewerkt.

Bestuursvoorzitter Reijnen en hoofddirecteur Goslings belastten zich ermee, zoals het Financieele Dagblad eerder al correct meldde. President-directeur Snijders mocht soms over hun schouders meekijken, maar de twee gingen voornamelijk hun eigen gang, en trokken zich daarbij niets aan van bestuur en beleggingscommissie. Ze voerden informele gesprekken met mr. G.J. Selman (al jaren een goede kennis van Reijnen en belast met de waardebepaling van Rodamco) van het makelaarskantoor Richard Ellis en met mr. J.F. Loudon, plaatsvervangend voorzitter van Pierson, Heldring & Pierson, over een eventuele financiële backing bij een overnamepoging.

Reijnen en Goslings kwamen ver. Ze vroegen toestemming aan het ministerie van financiën, dat is belast met de uitvoering van de ABP-wet, welke bepaalt dat het ambtenarenpensioenfonds niet meer dan vijf procent van haar belegd vermogen in buitenlands onroerend goed mag stoppen. En tot de niet geringe verrassing van de top liet Financiën de ABP-hoofddirectie weten dat een overname akkoord was, mits het geen "unfriendly take-over' betrof. De toezegging van Financiën werd tot ongenoegen van Goslings en Reijnen bij velen in de ABP-top bekend, omdat ze deel uitmaakte van de gedetailleerde notulen van de hoofddirectionele vergaderingen, en in de controle-cultuur van het pensioenfonds hebben bestuursleden daarin inzage. Op het secretariaat van de bestuursvoorzitter, waar de notulen ter lezing worden aangeboden, meldden zich eind vorig jaar dan ook verscheidene bestuursleden om in detail kennis te nemen van de stand van zaken.

Waarom het ondanks de toestemming van Financiën nooit tot een overname-poging is gekomen, zoals ABP én Rodamco een en andermaal hebben verklaard, en zoals ook blijkt uit het feit dat bestuur noch beleggingscommissie van het ABP ooit over een dergelijk bod zijn geraadpleegd - wat juridisch noodzakelijk zou zijn geweest - is en blijft een raadsel: het ABP doet er geen mededelingen over.

Eén detail uit deze curieuze geschiedenis vertelt misschien nog het beste hoe de verhoudingen binnen de ABP-top zijn. Kort nadat Rodamco de inkoop van aandelen had gestopt, bracht een ruime delegatie van het ABP-bestuur en de -hoofddirectie in oktober vorig jaar een werkbezoek aan Robeco. De ontvangst door Korteweg was buitengewoon hartelijk, en de voormalig thesaurier-generaal van Financiën legde in een opmerkelijk openhartig betoog uit voor welke dilemma's hij had gestaan voordat hij de dramatische keus had gemaakt de aandeleninkoop te staken. De meeste bestuursleden hoorden het zeer geïnteresseerd aan, en sommigen zeiden achteraf tegen elkaar dat het misschien toch eens te overwegen was Rodamco over te nemen. Op dat zelfde moment waren Reijnen en Goslings er al volop mee aan de slag. En geheel onwetend van dat feit meldde ook vastgoed-directeur Bleijenberg zich in die periode bij Rodamco, in het kader van zijn pogingen de vastgoed-portefeuille van het pensioenfonds beter te vullen.

Tijdens dat werkbezoek was het de ABP-delegatie trouwens opgevallen hoezeer dr. J. Kremers, die enige weken later formeel aantrad als directeur van Rodamco en een Limburgse kennis is van Reijnen, zich op de vlakte hield. Zijn voorganger, drs C. van Rijn, stelde zich daarentegen zeer actief op. Van Rijn zou korte tijd na zijn vertrek bij Rodamco lid worden van de beleggingscommissie van het ABP.

En ondanks de troebele voorgeschiedenis zaten Rodamco en ABP reeds in januari van dit jaar opnieuw aan tafel. Ditmaal op initiatief van Rodamco. Kremers speelde nu een prominente rol, en opperde te gaan denken over samenwerking. De ABP-delegatie stemde ermee in. Bestuur en beleggingscommissie van het ABP wisten opnieuw van niets.

Ook Bleijenberg, de directeur vastgoed van het ABP, zou er tot oktober niet het geringste detail van vernemen. In de tussentijd kwamen wel steeds meer spanningen tussen Bleijenberg enerzijds en bestuur en hoofddirectie anderzijds aan de oppervlakte. Goslings verweet zijn directe ondergeschikte dat hij te weinig, en bovendien slechte vastgoed-aankopen deed, met name in het buitenland. Bleijenberg meende daarentegen dat Goslings onvoorzichtig opereerde, bij voorbeeld in de Haagse stadhuis-kwestie, waarbij Goslings ondanks Bleijenbergs stelling dat er te veel risico's werden genomen, namens het ABP het contract met de aannemerscombinatie sloot.

Bleijenberg kreeg steeds meer vragen van het bestuur over de voortgang van zijn pogingen de vastgoed-portefeuille beter te vullen, net als van de beleggingscommissie, en van Goslings. Het werd hem te veel. De man die in zijn directe omgeving wordt gekenschetst als “degene die de onroerend goed-sector na Masson uit de prut heeft getrokken”, had genoeg van “al die figuren die over mijn schouders heen kijken”, zoals hij collega's vertelde, en gooide het hoofd in de wind: de controleurs konden barsten. Hij weigerde enige malen informatie aan het bestuur ter beschikking te stellen. In de loop van het jaar gingen in bestuur en hoofddirectie steeds meer stemmen op hem voor ontslag voor te dragen. In de zomer werd Bleijenberg alvast de verantwoordelijkheid voor buitenlandse vastgoed-beleggingen ontnomen.

De bom barstte in oktober, vlak nadat het persbericht over de besprekingen tussen Rodamco en ABP was verschenen. Op een personeelsbijeenkomst veegde Bleijenberg de vloer aan met Goslings, wees op een in augustus met de hoofddirectie gesloten overeenkomst waarin slechts een lichte verschuiving naar meer buitenshuis werken was vastgelegd, sprak van een onaangekondigde “trendbreuk” in het beleid, en toonde zich verontwaardigd over het feit dat de hoofddirectie “zonder enige vorm van overleg” met Rodamco in zee was gegaan. Goslings maakte voor het laatste excuses, maar weersprak dat de samenwerking met het Rotterdamse fonds een “ommezwaai” in beleid was. Het kon niet voorkomen dat onder het complete onroerend goed-personeel een katterige sfeer heerste, hetgeen duidelijk werd in een kort erna geschreven brief-op-poten aan het bestuur. “Wij vragen ons af of de heer Goslings de grenzen van de zorgvuldige beleidsvoorbereiding niet heeft overtreden”, zo stond er onder meer. In november werd Bleijenberg “op de meest eervolle wijze” ontslag verleend.

Intussen hadden Goslings en Snijders andere problemen aan hun hoofd. De onderhandelingen met Rodamco waren in een “afrondende fase” beland, en ook bij het Rotterdamse fonds had men in de gaten dat de interne verhoudingen bij het ABP nogal stroef waren - ook tussen Snijders en Goslings. Dat kwam mooi uit. Wat is er aardiger dan onderhandelen met een verdeelde delegatie?

Het eerste concept-contract dat Snijders en Goslings presenteerden werd in het ABP dan ook met de grond gelijk gemaakt, toen de beleggingscommissie en het bestuur er 14 november over vergaderden. Om te beginnen maakte de hoofddirectie de fout het onderhandelingsresultaat pas een dag tevoren te verzenden, waardoor al forse irritatie was gewekt. Maar vervolgens bleek het contract in prijs, zeggenschap en mogelijkheden om uit Rodamco te stappen veel te slecht voor het ABP uit te pakken, meenden zowel beleggingscommissie als bestuur. “Goslings en Snijders werden als schooljongetjes in de hoek gezet”, zegt een lid van de beleggingscommissie. Reijnen werd buiten de kritiek gehouden, omdat hij zich niet met de concrete onderhandelingen had ingelaten.

Het bestuur nam maatregelen. Los van het vriendelijke verzoek aan Snijders en Goslings om de onderhandelingen maar eens dunnetjes over te doen, nam het zelf een drietal externe deskundigen op juridisch en fiscaal gebied in de hand (zoals Coopers Lybrand Van Dien en Co en De Brauw Blackstone Westbroek) om het werk van de hoofddirecteuren te controleren. Het leek een verkapte motie van wantrouwen, en zo was het ook bedoeld: het bestuur vroeg zich in alle redelijkheid af of de hoofddirecteuren wel voor hun taak berekend waren.

En overigens verliepen de zaken tussen bestuur en beleggingscommissie ook niet erg soepel. In het bestuur bestond wantrouwen over de bedoelingen van sommige leden van de commissie. Nog niet het meest over de twee ex-Robeco-directeuren die daarin zitting hebben, Van Rijn en Scholten - al werden zij op verzoek van het bestuur buiten de vergaderingen over Rodamco gehouden - maar meer over de ex-directeur van het Shell-pensioenfonds, drs J.J. de Kort. De Kort heeft ook zitting in het bestuur van het pensioenfonds PGGM (gezondheidszorg), dat net als het ABP, zo werd in november duidelijk, onderhandelingen met Rodamco over samenwerking bij buitenlandse beleggingen in onroerend goed is aangegaan. De ABP-top heeft De Kort onlangs verzocht per 1 januari zijn functie bij het ABP neer te leggen, hetgeen hij met tegenzin heeft aanvaard.

Maar de meeste spanning bleef zitten in de relatie tussen bestuur en hoofddirectie. Toen op 6 december de hoofddirectie een nieuw onderhandelingsresultaat voorlegde aan het bestuur, werd het andermaal als onvoldoende van de hand gewezen, hetgeen zich een week later nog een keer zou herhalen. Bij die gelegenheid besloot het bestuur de problemen bij het ABP maar eens structureler tegen het licht te gaan houden, en maakte de afspraak voor een evaluerende meeting in januari. Overigens werd een dag later de samenwerking met Rodamco alsnog beklonken.

De interne problemen, denken velen in de top van het pensioenfonds, zouden voor een groot deel verdwijnen als het ABP zich kon verzelfstandigen, zodat het niet langer aan banden bij de rijksoverheid zou liggen en los van ministeriële bemoeienis zijn eigen beleggingsbeleid kan voeren. Men kan het een verstandig plan vinden, maar het komt er niet van: in Den Haag is uitsluitend de minister van binnenlandse zaken aarzelend voor een verzelfstandiging, alle andere bewindslieden hebben er grote bezwaren tegen. Ook is de laatste tijd intern weer gesproken over een opsplitsing van het fonds in onafhankelijke werkmaatschappijen, maar ook daartegen is zoveel verzet - in Den Haag én Heerlen - dat het er op korte termijn niet van zal komen.

Sommigen in het bestuur menen dat het goed zou zijn als er een nieuwe bijltjesdag volgt: Snijders eruit, Goslings aan banden leggen. Het is twijfelachtig of daarvoor een meerderheid is te vinden. Vooral de mensen die al langer meelopen, en de tijd van Van der Dussen nog hebben meegemaakt, voelen er weinig voor: “Dramatische wisselingen in de directie moet je niet te vaak uithalen.”

Toch zal er iets moeten gebeuren, want over de meest essentiële verantwoordelijkheden kan in de ABP-top eindeloos worden gediscussieerd. Toen vorige week de samenwerking met Rodamco nagenoeg was beklonken, kwam in het bestuur de vraag aan de orde wie namens het ABP het contract moest ondertekenen: de hoofddirectie of het bestuur? Uiteindelijk, na langdurig beraad, bleek een meerderheid van het bestuur te menen dat het hier een taak van de hoofddirectie betreft.