Zeven Nederlandse kunstenaars; Boeddhisme en oude meesters

Seven Dutch Artists. Uitg. Art Finance (postbus 23358, 3001 KG Rotterdam), 111 blz. Prijs fl. 95,-.

Het boek Seven Dutch Artists is een extraatje bij een portfolio met zeven drukken (105 x 75 cm) van de kunstenaars Aldert Mantje, Willem Sanders, Rob Scholte, Ton van Summeren, Peer Veneman, Harald Vlugt en Martin van Vreden. De zeven maakten een zeefdruk, ets of houtdruk bij de grafische ateliers van Novak Graphics Inc. in Toronto (Canada). Het project is opgezet door Art Finance bv in Rotterdam, een nieuw initiatief van onder anderen de Joegoslavische kunsthandelaar Ivo Podunajec uit Amsterdam.

Het boek, dat interviews met de zeven kunstenaars bevat, ziet er mooi uit. Het zit niet in een band maar in een rode doos met in goudopdruk de namen van de kunstenaars en de schrijver, Wim van Sinderen. Klap je de doos open, dan zie je het eigenlijke boekwerk liggen, gebonden met wit garen. Bij ieder interview is een mooie portretfoto gemaakt door Paul Blanca, afgedrukt in duotone, en een kunstwerk (niet de portfolio-druk) in kleur. De interviews zijn in het Engels vertaald. Dat geeft het boek iets vertederend ambitieus: deze presentatie van zeven jonge kunstenaars is gericht op de internationale markt.

De interviews geven een duidelijk beeld van de achtergronden van de zeven mannen (een vrouw is er niet bij). Hun enige overeenkomst is dat ze alle zeven ooit bij de Amsterdamse galerie The Living Room exposeerden. Van Sinderen vraagt ze op een terloopse manier naar hun jeugd, invloeden en huidige uitgangspunten. Dat levert soms verrassende informatie op, zoals bij de beeldhouwer Peer Veneman, die vertelt over de invloed die het Zen-boeddhisme op zijn werk en leven heeft. Schilder Aldert Mantje plaatst zichzelf, zoals meer schilders in dit boek, in de traditie van de oude Hollandse meesters. Rob Scholte noemt als voorbeeld de zeventiende-eeuwse dichter-etser Jan Luyken, die als "ambachtsman' allerlei beroepen documenteerde. Scholte wil net als Luyken kunst maken die met het leven van doen heeft, geen kunst die alleen in het isolement van het museum gedijt. Bij zijn interview is een van Scholtes mooie vroegere werken, De Stoffenfabriek (1982), afgedrukt. Hij is zich er van bewust dat "een schilderij niet meer is dan een lap stof'.

Van Sinderen heeft geprobeerd toegankelijk geschreven portretten te maken. Over het algemeen is hem dat gelukt, hoewel het gefilosofeer van de kunstenaar soms wel een erg hoge vlucht neemt, zoals bij de theorieën van Ton van Summeren over zijn cijfer-schilderijen.

Geheel uit de toon vallen de poëtisch bedoelde pro- en epiloog geschreven door de directeur van het Amsterdams museum Fodor, Fred Wagemans. We leven, als ik hem goed begrijp, in een Nieuwe Eeuw ("New Century'), die opvallende overeenkomsten vertoont met de Gouden Eeuw. En de kunstenaars in Amsterdam moeten volgens Wagemans niet langer in de "buik' (het centrum) ronddolen, maar op de bolle buik van "zwanger' Amsterdam rondspringen. Het lijkt wel of er geen enkel kunstboek mag verschijnen zonder een verplicht stukje gezweef en gezwatel.