Vrijplaats

De staatssecretaris zat aan zijn bureau te werken, toen op de deur werd geklopt. Zonder op te kijken, mompelde de staatssecretaris "entree' en een ogenblik later kwam een man de kamer binnen. De man, gekleed in politie-uniform, droeg onder zijn arm een opgerolde stafkaart. “Ga zitten, commandant”, zei de staatssecretaris, nog steeds zonder op te kijken.

De commandant trad voorzichtig naderbij en zette zich neer op een stoel aan de andere kant van het bureau. Het bleef enige tijd stil, maar ten slotte sloeg de staatssecretaris het rapport dicht dat hij aan het lezen was. “Mooi”, zei de staatssecretaris zich plotseling oprichtend, “ik zie dat u de kaart hebt meegebracht.”

De commandat ontrolde de kaart en spreidde haar uit op het bureau. “Dit is”, zei hij, “dus de plattegrond van de kerk, waarin de Vietnamezen zich verborgen houden. Het zal, gezien de inrichting van het gebouw, beslist niet eenvoudig zijn de Vietnamezen op te sporen en te arresteren. Om te beginnen is deze kerk altijd bijzonder donker. De glas- en loodramen laten maar weinig licht door.”

“Hm, wacht eens even. Daar is natuurlijk een oplossing voor. Waarom zouden wij onze manschappen niet met nachtkijkers kunnen uitrusten? Een prima idee! Ik zal vanmiddag nog Delft Instruments bellen. Ik heb goede reden om aan te nemen dat men ons daar maar al te graag wil helpen.”

“Uitstekend, excellentie, maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet. Zoals u zelf kunt vaststellen, zijn er in deze kerk nogal wat plekken waar de Vietnamezen zich kunnen verschuilen. Voor we ze te pakken nemen, dienen wij wel te weten in welke hoeken en gaten wij moeten zoeken. Ik voorzie nogal wat problemen.”

“Laat eens horen, commandant.”

“Wanneer wij binnenvallen via het portaal, komen wij eerst in het schip terecht. Mogelijk heeft een aantal Vietnamezen zich onder de kerkebanken verstopt. Die zullen we nog tamelijk gemakkelijk kunnen vangen. Maar daarna moeten we oprukken naar het middenschip en dan passeren wij het transept.”

“Het wat?”

“Dat zijn de dwarsbeuken van een kerk, exccellentie. Meestal staat daar een altaar, en u begrijpt, een altaar is het ideale meubel om onder te kruipen.”

“Voorzichtig prikken met de bajonet, commandant. Dan komen ze vanzelf wel tevoorschijn.”

“Had ik ook gedacht, excellentie. Maar dan beginnen de moeilijkheden pas. Als wij het middenschip hebben schoongeveegd, moeten wij het koor en het ambulatorium binnenvallen.”

“Het wat?”

“Het ambulatorium, excellentie. Dat is de omloop bij de straalkapellen aan de achterzijde van de kerk. In dit gedeelte stuiten wij op allerlei obstakels en hindernissen. Er staat bij voorbeeld de avondmaalstafel. Hoe krijgen wij de Vietnamezen daar onder vandaan? En wat te doen als zij zich verstoppen in de crypte. Dat is de plaats waar men de relieken van de martelaren placht te bewaren, als u mij deze uitleg ten minste toestaat, excellentie. Een extra probleem is dat deze kerk ook voor oecumenische diensten wordt gebruikt. Daarom beschikt deze kerk, zoals u op de kaart kunt zien, zowel over een biechtstoel als een kansel. Er zijn zoveel plaatsen om je te verbergen, dat ik een langdurige guerrilla niet helemaal uitgesloten acht. Daarom stel ik voor groot materieel te gebruiken.”

“Ho ho, commandant! Niet zo snel. Wie sterk is, kan toch ook nog slim zijn. Heeft u weleens gehoord van camouflage en infiltratie? Denkt u eens aan de Vijfde Colonne die in 1940 zo effectief het verzet heeft gebroken. Wij kunnen onze manschappen toch verkleden als paters en nonnen. We zouden ze zelfs kunnen vermommen als Vietnamezen. Een paar handige grimeurs kunnen in een handomdraai van een paar gewone ogen toch een paar spleetogen maken.”

Het gezicht van de commandant klaarde plotseling op. Met een verrukte uitdrukking probeerde hij de blik te vangen van de staatssecretaris, maar die had zich al weer verdiept in een rapport. “En nou, vorwärts Marsch!”, zei de staatssecretaris zonder op te kijken.