Vijf bundels met cabaretteksten; Een overdaad aan snedigheden

Kick van der Veer: Ik ben mij er eentje. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 254 blz. Prijs ƒ 24,90. Fred Florusse: Geslepen speelgoed. Uitg. Amber, 164 blz. Prijs ƒ 20. Hans Liberg: Pablo, Pablo. Uitg. Balans, 120 blz. Prijs ƒ 17,50. Jeroen van Merwijk: Knap stom. Uitg. Aramith, 112 blz. Prijs ƒ 14,90. Youp van 't Hek: Rijke meiden. Uitg. Thomas Rap, 100 blz. Prijs ƒ 15,-.

“Ja... wij dóen dat dus niet meer hè? Mijn man en ik. Dat. Dus. Definitief gestopt, een jaar geleden, nóóit meer gedaan, klaar, prima - wat mij betreft prima...”. Ik herinner me hoe Martine Bijl in 1987 deze woorden uitsprak: quasi-opgelucht, quasi-blasé, als verdorrende mevroj die pas gaandeweg bezig bleek te zijn haar deceptie te verhullen achter een haag van kijvigheid. Het was een hoogst komisch nummer, dat langzaam zijn tragiek prijsgaf. Nu opent Dát, dus de zojuist verschenen bundel Ik ben mij er eentje, waarin Kick van der Veer zijn selectie presenteert van cabaretconférences uit de jaren 1917 tot 1991. En wat blijft ervan over? Een tekst vol halve zinnen, typische spreektaal, vol accenten (grave en aigu) om in de voordracht de juiste klemtonen te leggen, met te platte grappen en te veel herhalingen. Het enige wat erop zit, is te trachten die intonatie er bj te bedenken - en dan nog valt het resultaat tegen. Een lezer is geen artiest; geen droeviger figuur dan degene die de grappen van een cabaretier navertelt zonder de context en zonder het vereiste raffinement.

Eerder was Van der Veer medeverantwoordelijk voor een succesvolle bloemlezing van Nederlandse cabaretliedjes, een met zichtbare zorg verzamelde collectie goede herinneringen, die zich neuriënd liet opslaan. Goede liedteksten verdragen publikatie omdat ze op papier kunnen bewijzen dat ze op eigen benen staan. Misschien is er in de combinatie met muziek en zangstem zelfs iets van hun structuur en hun inventiviteit verloren gegaan dat pas in de gedrukte vorm tot zijn recht komt. Bij spreekteksten ligt dat anders. Een conférence is pas goed als ze zich heeft losgemaakt van het papier en de schijn wekt dat ze ter plekke ontstaat - als een reeks spontane invallen, terloops opgestelde valstrikken, mee-ademend met het publiek of juist weerbarstig daar tegenin. De timing is zaligmakend; als de onverwachte omdraaiing een seconde te vroeg of te laat komt, is het effect weg. Ik lachte toen Freek de Jonge in een voorstelling van Neerlands Hoop riep: “De tweede prijs, een dertigdelig porseleinen theeservies is gevallen... en kan daardoor niet worden uitgereikt.” Nu die grap op papier staat, zie ik in één oogopslag wat er na de puntjes komt en verbaas me over zoveel flauwigheid.

Blijkens zijn voorwoord heeft Van der Veer deze reactie voorzien. Al tijdens de voorbereidingen kreeg hij herhaaldelijk te horen dat conférences niet om te lezen zijn. “Dat zullen we nog wel eens zien!” riep hij dan. Wat hij er achteraf zelf van vond, vermeldt hij niet. Het aardigste dat ik van het resultaat kan zeggen, is dat het af en toe prettige herinneringen oproept. Maar zelfs daarvan blijft meestal weinig over.

Lachen

Toch hoeft een bundel met conférences niet nutteloos te zijn. Ik kan me een boek voorstellen waarin de citaten uit cabaretteksten duidelijk maken wat het publiek en de artiesten de afgelopen eeuw heeft bezig gehouden en hoe dat werd verwoord. Lachen hoeft dan niet meer, het boek bewijst zijn waarde door de cultuurhistorische documentatie. Zo'n boek heeft Van der Veer echter niet gemaakt. Van vóór de oorlog nam hij alleen iets van Jean-Louis Pisuisse en Louis Davids op, de jaren veertig en vijftig slaat hij goeddeels over en hij krijgt er pas bij Neerlands Hoop weer echt zin in. Globaal geschat is de helft van zijn verzameling van de laatste tien jaar. Van representativiteit is op die manier geen sprake meer.

Fred Florusse had het iets gemakkelijker: hij koos voor Geslepen speelgoed uitsluitend cabaretteksten die hem de afgelopen paar jaar opvielen en wisselt die af met enkele herinneringen aan zijn eigen Don Quishocking-tijd. Onbelemmerd slaat hij sommige grootheden over en vraagt aandacht voor minder erkende talenten. Dat levert een paar verrassingen op - des te jammerder dat Florusse zo weinig eigen commentaar geeft op hetgeen hij selecteerde. Als regisseur van jonge cabaretiers en jurylid bij cabaretfestivals is hij een van de weinigen die met inzicht en overwicht kunnen analyseren wat Nederland op dat gebied tegenwoordig te bieden heeft. Maar hij komt niet veel verder dan de verzuchting dat er bijna geen taboes meer bestaan. Met nauwelijks verholen spijt opent hij zijn boekje met een tekst van Pieter-Dirk Uys, die in Zuid-Afrika nog wèl op de rand van de wettelijke mogelijkheden balanceert.

Weggeefboekjes

Veel van de door Van der Veer en Florusse geciteerde cabaretiers hebben de afgelopen jaren zelf al gebundelde teksten doen verschijnen, doorgaans in weggeefboekjes die hoog opgetast bij de kassa's lagen. In die rij scharen zich nu ook de veelbelovende liedjeszanger Jeroen van Merwijk (Knap stom) en de met niemand te vergelijken entertainer Hans Liberg (Pablo, Pablo). De eerste schreef een betoog van honderd paginaatjes over gemeenplaatsen in de gemiddelde hedendaagse conversatie, de tweede publiceert dagboekachtige brieven aan een in New York woonachtige vriend. Beiden verwarren een boek met een conférence; wat in een zaal tot euforie kan leiden, werkt hier - zonder intonatie, zonder timing - slechts vermoeidheid in de hand. De overdaad een snedigheden schaadt alleen nog maar.

Youp van 't Hek lijdt in Rijke meiden af en toe aan hetzelfde euvel. Het titelverhaal is geschreven als een tekst vol theatereffecten, met de opeenstapeling van walgende adjectieven die de drift van zijn conférences torenhoog kunnen opstuwen. Op papier lijkt het allemaal veel te opgeblazen, veel te overdadig. Daar staat echter "Het luisteren' tegenover, een sober en zuiver geformuleerde uitwerking van een van zijn favoriete thema's: het sleurbestaan. In het langste - en beste - verhaal beschrijft Van 't Hek zijn angst en zijn associaties met de dood nadat de huisarts heeft gezegd dat een specialist even naar een plekje op zijn bovenbeen moet kijken. De bundel was heel wat coherenter geweest als de schrijver in dit verhaal ook de andere autobiografische flarden had ondergebracht die nu los van elkaar en in willekeurige volgorde worden opgedist.

Van 't Hek komt, van alle publicerende cabaretiers van dit moment, het dichtst bij het schrijverschap. Maar ook hem speelt het theater-idioom af en toe nog parten. Een boek is geen conférence, een conférence geen boek.