Victoriaanse mannen waren dol op gevallen meisjes; Gesprek met Dickens-biografe Claire Tomalin

Charles Dickens is voor Engelsen een nationale held en een symbool van degelijk huisvaderschap. Toch was al meer dan eeuw geleden bekend dat hij zijn vrouw slecht behandelde. Door speurwerk van onder meer biografe Claire Tomalin werd onlangs ook meer bekend over de verhouding tussen Dickens en zijn vriendin Ellen Ternan. Tomalins ontdekkingen worden haar door Dickensianen niet in dank afgenomen. Tomalin: “Het is helemaal niet mijn bedoeling om Dickens van zijn voetstuk te trekken.”

Claire Tomalin: The Invisible Woman; the Story of Nelly Ternan and Charles Dickens. Uitg. Penguin. Prijs ƒ 22,95

Het is geen uitspraak die je van een biograaf verwacht: “Ik geloof niet dat biografieën van schrijvers veel invloed hebben op de manier waarop we hun boeken lezen. Al weet je nog zoveel over een auteur, zijn of haar werk staat daar uiteindelijk toch los van. Neem de biografie die Robert Gittings in twee delen over Thomas Hardy schreef. Een prachtig boek, vol openbaringen over het karakter van Hardy, maar ik lees Hardy nu nog steeds alsof het nooit geschreven was.”

Hoewel haar drie boeken over schrijvers gaan, ziet Claire Tomalin (1933) zichzelf dan ook niet als een literair biografe. Weliswaar studeerde ze Engels in Cambridge, maar haar grootste belangstelling is altijd het raakpunt van geschiedenis en literatuur geweest. “Het gaat mij er vooral om mensen in hun historische context te plaatsen.” Tomalin, die begon als redactrice bij een uitgeverij en jarenlang verantwoordelijk was voor de literaire pagina's in The New Statesman en The Sunday Times, bouwde in de loop der jaren een reputatie op als een van de interessantste biografen van Engeland. Ik spreek haar in haar huis in Londen.

In het begin van de jaren zeventig raakte Tomalin of meer toevallig betrokken bij het leven van de aartsmoeder van het Engelse feminisme, Mary Wollstonecraft, vooral bekend als de schrijfster van A Vindication of the Rights of Women (1792). “Het was oorspronkelijk helemaal niet mijn bedoeling om een biografie over haar te schrijven. Ik was in haar geïnteresseerd geraakt, schreef een artikel over haar en vervolgens ging de hele dag de telefoon en werd me van alle kanten gezegd dat ik een boek over die bijzondere vrouw moest schrijven. Ik was in verwachting van mijn zoon, die bij zijn geboorte zwaar gehandicapt bleek en veel aandacht nodig had. Mijn man (een Brits journalist die omkwam tijdens de Jom Kippoer oorlog - BH) raadde me toen aan het boek te gaan schrijven. The Life and Death of Mary Wollstonecraft schreef ik grotendeels met mijn zoon in een wiegje naast me. In die jaren was biograaf nog geen echt beroep, niet iets waarvoor je bewust koos.”

Op dat boek, een daad van historische rechtvaardigheid die Mary Wollstonecraft haar plaats in de geschiedenis teruggaf, volgden, naast een lang essay over Shelley, nog twee andere: een biografie van Katherine Mansfield (1987) en vorig jaar The Invisible Woman, het verhaal van de actrice Ellen Ternan, de maitresse van Charles Dickens. In die geruchtmakende studie, tot driemaal toe bekroond, reconstrueert Tomalin aan de hand van wat schamele feiten een leven dat, vanaf het moment dat Ellen, of Nelly, toegaf aan de toenaderingspogingen van de grote Victoriaanse volksschrijver, onzichtbaar' gemaakt moest worden. The Invisible Woman schetst een beeld van Dickens dat op geen enkel punt overeenkomt met eerdere, hagiografische levensbeschrijvingen die van Dickens een gedomesticeerde heilige hebben gemaakt. In Tomalins boek is Dickens niet het genie dat ver boven zijn eigen tijdgenoten uittorent, maar een man die zich heeft te voegen naar de normen van zijn tijd en zich daartoe in allerlei bochten moet wringen.

Dickens, die waarschijnlijk oprecht verliefd is geweest op Ternan, krijgt door Tomalins biografisch speurwerk een tragische dimensie, maar centraal in haar boek staat de figuur van Nelly. “Het is een droevig verhaal. Een van de aspecten die mij vooral boeiden is hoe één moment, Nelly's beslissing om Dickens' maitresse te worden, gevolgen kan hebben die ongelofelijk lang doorwerken, in dit geval tot in de trieste levens van Nelly's latere kinderen.” Net als in haar boek over Mary Wollstonecraft is het ook nu de bedoeling van de biografe geweest een vrouw haar stem terug te geven. Tomalin noemt zichzelf feministe (“Ik zie niet in hoe een vrouw dat niet kan zijn”) en tot nu toe heeft ze bewust gekozen om over vrouwenlevens te schrijven. “De geschiedenis van vrouwen is mijn onderwerp. De historicus E.P. Thompson heeft in zijn geschiedenis van de arbeidersklasse geschreven dat het zijn bedoeling was de arbeidersklasse te redden van de minachting van de geschiedenis. Wat mij betreft geldt dat voor vrouwen, vrouwen wier levens maar al te vaak bewust of onbewust zijn uitgewist. En als er wel over hen werd geschreven, dan gebeurde dat op een laconieke, onserieuze, club man's toon. Kijk naar al die biografieën over actrices en prinsessen. Mijn bedoeling is het geweest te ontdekken hoe hun levens werkelijk geweest zijn, wat hun problemen waren, wat de omstandigheden waren waaronder die levens zich voltrokken. Ik ben ervan overtuigd dat je in een biografie evenveel denkbeelden van jezelf kwijt kunt als in een roman.”

Uw boeken zijn relatief dun en bestaan niet uit een opeenstapeling van feiten. Heeft u het complete leven in uw hoofd wanneer u begint te schrijven?

“Wanneer je eerst jaren research-werk hebt gedaan, weet je meestal wel waar je aan begint. Een vast beeld heb je echter niet. Ik vergelijk het meestal met een huwelijk. De ene dag houd je vreselijk veel van de ander, de volgende kun je hem wel schieten. Soms wordt die relatie wel heel persoonlijk. Om Mary Wollstonecraft gaf ik zoveel, dat ik me ergerde wanneer ze dingen deed die beneden haar waardigheid waren. Maar tijdens het schrijven probeer ik ieder woord te verantwoorden, wat tot gevolg heeft dat ik alles keer op keer moet herschrijven. Ik heb eens een boze correspondentie in de Times Literary Supplement gevoerd met een criticus die geschreven had dat ik zomaar iets onnadenkends beweerd had over Katherine Mansfield in mijn boek over haar, een losse flodder. De gewraakte zin die hij aanhaalde kwam uit een passage die ik minstens vijftig keer herschreven had. Ik word woedend als mensen zoiets klakkeloos veronderstellen.”

Uw boeken zijn stuk voor stuk bewust één versie van een leven, zonder dat u andere versies uitsluit.

“Ja, ik geloof dat ik heb geleerd meer en meer mijzelf te zijn in de boeken. Vooral in het boek over Nelly Ternan, maar dat bracht de stof ook met zich mee. Het was een erg moeilijk verhaal om te vertellen en ik dacht bij mezelf, de enige manier waarop ik het kan doen is door de lezer er actief bij te betrekken. Ik wilde laten zien waar de problemen lagen, de witte vlekken in het verhaal tonen, hem deelgenoot maken van mijn eigen speculaties. Het was een verschrikkelijk gecompliceerd boek om te schrijven, omdat er welbeschouwd helemaal geen verhaal was. Ik heb ook van alles geprobeerd. Ik heb zelfs een fictieve versie geschreven, met brieven van Nelly aan Dickens. Gelukkig zag ik al snel dat dat geen gelukkige methode was.”

Wat betreft uw interpretatie van de feiten verschilt u radicaal van Peter Ackroyd, die er van uitgaat dat Dickens geen seksuele relatie met Nelly heeft onderhouden.

“Inderdaad, maar ik geloof niet dat Peter erg geïnteresseerd was in dat aspect van Dickens. Hij baseerde zich op het onderzoek van Katharine Longley, dat er geheel en al op gericht was de onschuld van Dickens te bewijzen en nam dat voor waar aan. Maar dat is heel goed te begrijpen. Zijn boek gaat over de schrijver Dickens. Peter heeft geen research gedaan, hij heeft alles gelezen wat er over Dickens is geschreven en dat materiaal naar zijn eigen, hoogst persoonlijke inzicht geïnterpreteerd. Zelf houd ik veel van het speurwerk in archieven, het nazoeken van registers, het ontcijferen van notities in agenda's. Het is jammer dat onze boeken met elkaar zijn vergeleken, want het mijne is het verhaal van Nelly, niet zozeer dat van Dickens. Maar ik had het net zo goed niet The Invisible Woman kunnen noemen, want iedereen noemt het mijn "Dickens-boek'. Maar ik kan ook niet ontkennen dat er van Dickens' persoonlijkheid een onweerstaanbare fascinatie uitgaat.”

Waar ook u geen weerstand aan heeft kunnen bieden?

“O nee. Ik heb alles van hem herlezen en heb gezwolgen in zijn brieven. Ik beschouw veel meer als iemand uit de Regency dan als een Victoriaan. Op mij komt hij over als een in en in goed mens. Zijn humanitaire bezigheden waren volkomen oprecht. En hij sprak werkelijk voor "the little people'. Dat is ook mijn rechtvaardiging voor mijn boek. Nelly Ternan is een van hen en hoe sentimenteel het ook klinkt, ik denk dat Dickens het mij eens geweest zou zijn. Maar zelf moest hij haar verstoppen. Zoals zoveel goede Victoriaanse mannen - Gladstone is een ander voorbeeld - werd ook Dickens gefascineerd door "gevallen' meisjes. Aan de ene kant was hij oprecht verontwaardigd over de manier waarop ze behandeld werden, aan de andere kant vond hij ze seksueel aantrekkelijk. Dat was een conflict dat hij nooit heeft willen erkennen. In David Copperfield staat een passage waarin de jonge David Little Emily naar een rotspunt in de zee ziet rennen, waarna hij opmerkt dat zij, gezien de latere gebeurtenissen in haar leven, beter op dat moment had kunnen sterven. Dat is een ijzingwekkende passage! Hij zegt dat ze maar beter had kunnen sterven omdat ze later een seksuele misstap zou begaan. Dickens' eigen gevoelens over wat hij Nelly Ternan had aangedaan, moeten uiterst ingewikkeld zijn geweest.”

Gezien de opvattingen die zelfs Ackroyd er nog op nahoudt, zullen uw opvattingen over de relatie Dickens-Ternan u door de fervente Dickensianen niet in dank worden afgenomen.

“Een criticus schreef in een krant dat hij mijn boek niet zou lezen omdat hij helemaal niet wilde weten dat Dickens een slecht mens was geweest. Maar vanaf 1858 is toch al bekend hoe Dickens zijn vrouw heeft behandeld! En of je nu weet of hij dat vanwege Nelly Ternan heeft gedaan of niet, dat doet er niet toe. Die "slechtheid' was algemeen bekend. Maar men heeft van Dickens een heilige willen maken. Zijn eigen dochter Kate was de eerste die daar tegen protesteerde. Er is ook een tendens om de schuld op Nelly af te schuiven. Edmund Wilson is daarmee begonnen. Zij was achttien toen hun relatie begon, hij vijfenveertig en bovendien wereldberoemd, maar op de een of andere manier was het allemaal aan haar te wijten. Men praatte over Dickens alsof hij haar slachtoffer was geweest, in plaats van andersom.

“Zelfs als je aanneemt dat zij gebruik van hem heeft gemaakt, is dat nog een belachelijke overtuiging. Maar zo handig voor Engelsen, die al zo lang gewend zijn al hun "slechtheid" op maitresses en prostituées af te schuiven. Dickens is een soort nationaal symbool, dus bij hem zie je die neiging tot in het absurde. Iemand anders schreef dat hij mijn boek niet hoefde te lezen, omdat hij wist dat Dickens onschuldig was. Engelsen worden nog steeds verbazingwekkend emotioneel wanneer het over Dickens gaat. Na een lezing in Yorkshire kwam een bejaarde man op me af die zei dat hij geschokt was wat hij over mijn boek in de krant had gelezen. Iedere Kerstavond herlas hij A Christmas Carol. Maar het is helemaal niet mijn bedoeling om Dickens van zijn voetstuk te trekken. Ten eerste wist ik helemaal niet wat ik zou ontdekken. Ik was gefascineerd door de achtergrond, het leven van actrices in de negentiende eeuw, de eigenaardige manier waarop hun bestaan zich tot de maatschappelijke moraal verhielden. Daar ging het mij om. En bovendien, mensen zijn menselijk. Dickens' gedrag ten opzichte van zijn vrouw was wreed en gemeen, maar iedereen die in de greep van een obsessieve hartstocht verkeert, is in staat zo te doen. Wij kunnen leren van de waarheid over Dickens, veel meer dan van een geïdealiseerde Dickens.”

Toch heeft Dickens zelf die waarheid nooit onder ogen willen zien. Dat moet van invloed zijn geweest op zijn werk.

“Ja, ik denk dat hij ervoor terugschrok. Hij was bang voor zijn gevoelens voor vrouwen. In zijn boeken kon hij monstrueuze vrouwen, melodramatische vrouwen beschrijven, maar geen echte, overtuigende vrouwen. Maar vergeet niet hoe moeilijk het voor Dickens was. Hij had zich opgewerkt, als enige uit zijn familie, met een gigantische krachtsinspanning, die beloond werd met een even groot succes. Hij stond voor zoveel dingen, niet alleen in relatie tot hem zelf, maar ook in relatie tot Engeland. Iemand heeft gezegd dat zijn publiek de enige echte liefde in zijn leven was, en daar valt veel voor te zeggen. Hij mocht de relatie met zijn publiek geen gevaar laten lopen, hij moest het beeld dat ze van hem hadden ongeschonden laten. Zijn privéleven moest daarom volkomen uit zicht blijven, wat veel spanningen gegeven moet hebben.”

Maar meer Victorianen leidden een afwijkend bestaan. Wilkie Collins, een vriend van Dickens, leefde jarenlang met twee vrouwen.

“Ja, maar hij was niet zo beroemd als Dickens. Hij werd altijd al een beetje vreemd gevonden. Dickens was een nationaal figuur, een symbool. Toch is het opvallend hoeveel van Dickens vrienden en tijdgenoten er een maitresse op na hielden. Ik denk wel eens dat iedere man die een zekere macht en status verwerft, niet langer genoeg heeft aan één vrouw. Dat hoort er, om het zo te zeggen, bij. Zolang vrouwen economisch afhankelijk zijn van mannen, zal dat wel zo blijven, denk ik. En misschien zelfs wel als ze dat niet meer zijn.”

U heeft het verhaal van Charles Dickens en Nelly Ternan gereconstrueerd, maar er blijven nog veel raadsels over die waarschijnlijk nooit worden opgelost. Dat moet frusterend zijn.

“Natuurlijk. Ik had in Frankrijk graag het bewijs gevonden dat er een kind van Dickens en Nelly is geweest. Je doet kleine ontdekkingen, zoals de brief van Dickens' vriend en biograaf Forster, waaruit blijkt dat Dickens wel degelijk testamentaire voorzieningen had getroffen inzake Nelly. En het is waar wat W.H. Auden zegt, zolang je twee mensen niet met elkaar in bed hebt aangetroffen, weet je niet wat er zich tussen hen heeft afgespeeld. En zelfs dan weet je het nog niet.”