Theaterboek 1990-91; Het ideale land

Nederlands Theaterjaarboek 90/91. Uitg. Nederlands Theater Instituut, 143 blz. fl. 25,-.

Onder het kopje "Erna, ervoor' verwoordt de redactie van het Theaterjaarboek, een speciaal nummer van Toneel Theatraal, op sympathieke wijze haar intenties. Onder verwijzing naar het omslag waarop Italiaanse pomodori prijken, naar Aktie Tomaat dus, schrijft men: “'t Is lang geleden dat gedoe met die tomaten - en wie kan beoordelen of we niet opnieuw met een situatie zitten waarin de mensen die het voor het zeggen hebben een beetje te tevreden zijn met zichzelf en met alles wat nu eenmaal is zoals het is?” De redactie stelt vervolgens dat het theater niet gezien moet worden "als een prettig ingerichte verblijfplaats (-) maar (als) het ideale land dat nergens is maar dat we blijven zoeken'.

In het jaarboek zelf leidt die zoektocht van een beschouwing over het vaderlandse toneelklimaat via een balans van de stijlontwikkeling in het toneel tot een vraaggesprek met vormgeefster Mirjam Grote Gansey, die een gouden medaille won op de Praagse Quadriënnale. De in totaal zes artikelen belichten een aardige diversiteit aan onderwerpen - naast de vaste rubrieken als de opsomming van alle premières van het afgelopen seizoen, de overledenen, onderscheidingen, festivals enz.

Gedegen is het artikel van Paul Kuypers over de naar zijn oordeel schijnbare rechtvaardigheid van het Kunstenplan-systeem. Onder de titel "De paradox van het kunstbeleid' concludeert hij met kracht van argumenten niet alleen dat de vierjaarlijkse beoordeling van alles wat subsidie ontvangt helemaal niet garandeert dat "het nieuwe automatisch zijn weg vindt', zoals de bedoeling is, maar tevens dat de rol van de Raad voor de Kunst zo langzamerhand is overgenomen door de ambtenarij. En die beschouwt kunst als een "produkt' op een "markt'. “Het oude model waarin de kunstwereld de inhoud van het beleid bepaalt, de politiek de voorwaarden schept (-) en de ambtenaren de procedures van de uitvoering voor hun rekening nemen, bestaat niet meer.” Kuypers heeft helaas gelijk.

In het wat studeerkamerachtige stuk "Toneel is niet moralistisch' stelt de filosoof Kees Vuyk dat in ons land het moralisme overheerst, dat toneel niet moralistisch is en dat ons land dus geen toneelklimaat heeft. Het moralisme heeft volgens hem vrij spel omdat er geen intellectuele elite is, en dat gemis is weer terug te voeren op de historische afwezigheid van een leisure class, een elders voorheen wel bestaande, veelal adellijke kring die zijn tijd aan nadenken en genieten kon besteden. Wellicht, wellicht. Maar misschien ook niet. De stellingen dat ons land geen toneelklimaat heeft en dat toneel niet moralistisch is zijn al zulke parti pris, dat Vuyks redenering niet meer dan een interpretatie is.

Hetzelfde bezwaar maar op een ander niveau geldt voor het stuk over de stijlontwikkeling van het toneel, van Marijn van der Jagt. Zij bezigt woorden als "reactionair' en "ouderwets' alsof die absolute waarde bezitten. Maar dat is uitsluitend zo in de ogen van de Ons-Soort-Mensen, wier kliekjesgeest Toneel Theatraal vaak zo onverteerbaar maakt.