Tegen de popcorn; De film in de Nederlandse samenleving

Hans Beerekamp: De kippen van vader Abraham. Uitg. Bert Bakker, 55 blz. Prijs ƒ 19,90.

Hans Beerekamp, sinds 1979 filmredacteur van deze krant, was van plan psycholoog te worden. In de eerste helft van de jaren zeventig was hij daartoe als student ingeschreven bij de Universiteit van Amsterdam, maar de ware levensvreugde vond hij in de bioscoop. In zijn essay De kippen van vader Abraham meldt Beerekamp dat hij in die tijd gewoonlijk vier tot vijf films per week zag.

In dit land, waar mensen zich erop voorstaan nooit een bioscoop binnen te gaan, is dat een hoog aantal. Maar uitzonderlijk is de score nu ook weer niet. Tien jaar eerder zag ik, in dezelfde stad hetzelfde vak studerend, soms vier à vijf films per dag. Op 26 juni 1959, zo blijkt uit een nauwkeurig bijgehouden journaal, bestond het programma bij voorbeeld uit Ten Seconds to Hell van Robert Aldrich, This Happy Feeling (Blake Edwards), The Sound and the Fury (Martin Ritt) en, als sluitstuk, Ingmar Bergmans Nära Livet aangevuld met La Seine a rencontré Paris van Joris Ivens. In gezelschap van een bevriende kijker, richtte de aandacht zich de dag erna op Danger Within (een oorlogsthriller waarvan de hoofdrolspelers inmiddels zijn overleden) en Stage Struck van Sidney Lumet.

Zo ging dat in die tijd: tegen de verdrukking in vormden zich kleine kernen van "kijkdieren', een later door Pim de la Parra en Wim Verstappen geïntroduceerde aanduiding voor een nieuw mensensoort, dat hier sindsdien weer in onbruik is geraakt.

Voorkeuren

Het boekje, een verhelderende schets van de plaats die film inneemt in de Nederlandse samenleving, geeft aan dat Beerekamps voorkeur aanvankelijk uitging naar regisseurs als Pasolini, Fellini en Buñuel. Ook had hij oog voor een enkele Amerikaan, onder wie Mike Nichols. Pas na enige tijd viel de auteur voor de verleidingen van "gewone Amerikaanse genrefilms', zoals het in zijn terminologie heet. Dat gebeurde in Cineac Damrak, waar hij als volontair bij De Waarheid op donderdagmiddag minder belangrijke premières mocht verslaan. Zoals zijn voorganger L.J. Jordaan een halve eeuw eerder, gaf hij zich in het schemerduister over aan de betovering van een medium dat hier duidelijker nog dan elders "van de straat' was.

De aspirant-criticus moet er zelfs iets hebben geproefd van wat in De kippen van vader Abraham is aangeduid als "de opwinding van verboden vruchten'. De voedingsbron daarvoor was de morele verontwaardiging waarmee Menno ter Braak en andere intellectuelen zich indertijd afzetten tegen het amusement (of, liever nog, het plat vermaak) van Hollywood. Terecht wijst Beerekamp erop dat hun weerzin in goede aarde viel bij rechtzinnige burgers, die hierin steun vonden voor hun afkeer van de nieuwe tijd en zijn vulgariteiten.

Deze onheilige alliantie is tot op de dag van vandaag bepalend voor het Nederlandse filmklimaat. De opkomst van het zogenaamde Vrije Circuit was in veel opzichten een doorbraak, maar de sfeer in veel filmhuizen getuigt ook nu nog van een ernst die calvinistisch aandoet. Misschien is iets anders ook niet te verwachten in een sector die, onder soms moeilijke omstandigheden, een alternatief wil bieden voor het falende beleid van het reguliere filmbedrijf. Ook Hans Beerekamp keert zich tegen de incompetentie van de "bioscoopboeren'. Hun filmkeus, schrijft hij, is veelal gericht op "de smaak van zeventienjarige Neandertalers' en het personeel krijgt de opdracht zoveel mogelijk popcorn te verkopen en verder nors toezicht te houden: “Wie de voortdurende vernederingen en treiterijen door de bioscoopeigenaren blijvend trotseert, is in ieder geval een fanatieke liefhebber.”

Afval

Deze uitval heeft als enig bezwaar dat hij nog te mild is. Aangezien critici als Beerekamp films zien in showrooms, weten zij niet dat de dagelijkse praktijk erger is dan ze vermoeden. Alleen al het verspreide afval, overgebleven van de drie uur tevoren geëindigde matinee, is voor de Neandertalers een teken dat wat op het doek komt kennelijk trash is en zij dus hun gang kunnen gaan. Tegelijkertijd worden anderen gestaafd in de gedachte, dat zij zich met goed fatsoen alleen in bepaalde zalen kunnen vertonen. Zo blijven oude misverstanden in stand: ook nu nog gaat een belangrijke groep filmliefhebbers voorbij aan bioscopen waar dertig jaar geleden - lang voor de "nette' theaters ze ontdekten - de films van Stanley Kubrick en John Huston in première gingen.

Deze situatie geeft aan dat het Nederlandse bioscoopbedrijf zelf zijn ergste vijand is. Daarop wijst ook de titel van Hans Beerekamps zorgvuldig geschreven essay: een referentie aan een bijeenkomst in Amsterdam ter ere van Francis Ford Coppola (maker van Apocalypse Now), waarbij een nazaat van theaterdirecteur Abraham Tuschinski verstek liet gaan omdat hij een kippenhok af wilde timmeren. Ondanks dit alles gelooft Beerekamp in de vitaliteit van de bioscoop, al was het maar als etalage voor de audiovisuele industrie. Maar belangrijker voor hem zal zijn dat de donkere zaal, nog net als in zijn studententijd, uitzicht biedt op "een ander, groter en echter leven', en wel dat van de film: de meest invloedrijke cultuurvorm van deze eeuw, stelt hij vast.

Jammer is alleen dat het de Nederlanders die ervan willen genieten niet meezit.