Rondjes in de sneeuw

's Avonds werd meneer Ratti er niet vrolijker op.

“Waardeloos”, zei hij bij alles wat hij op de televisie zag. Maar in werkelijkheid lette hij helemaal niet op wat er op het scherm gebeurde.

Hij merkte ook niet dat de kachel uitging. En dat de vieze lucht van de aangebrande soep nog even doordringend in de kelder hing, kon hem niet schelen. Telkens keek hij naar de knikkers die nu zo grauw waren als stopverf.

Hij streek over zijn snorretje en krabde op zijn hoofd en peinsde hardop: “Als er iets mis is met die knikkers, is er niets mis met mij... Als er iets mis is met mij, is er niets mis met die knikkers...”

Tot hij op een gegeven moment besloot: “Hoe dan ook, het is beter om die afzichtelijke dingen niet meer te zien.” En hij borg ze bij zijn verzameling knikkers in de postzak.

“Dat was één”, zei hij en begon te ijsberen. “Punt twee is dat ik zo onrustig ben en dat ik niet begrijp wat er met me aan de hand is... En punt drie is dat in de buurt achter de markt het huisvuil buiten staat. Dus hoe koud het buiten ook is,” zei hij tegen de kat die op het voeteneind lag, “je baas gaat op strooptocht, Baron.”

Het sneeuwde. Dikke vlokken dwarrelden in het portiek.

“Als het maar meteen smelt”, mopperde meneer Ratti, terwijl hij de kinderwagen de trap ophees.

Maar het vroor hard en het bleef sneeuwen. Binnen de kortste tijd lag er een dekje op de kap van de kinderwagen en had meneer Ratti een witte hoed. Op de hoek van de straat joeg een ijzige wind de vlokken in zijn gezicht, en hij boog zijn hoofd nog dieper en duwde de kinderwagen tegen de snijdende wind in.

De vlokken werden dikker en talrijker en een reusachtige witte deken bedekte de straten. Geparkeerde auto's leken grote sneeuwmonsters, stoepranden waren verdwenen en het huisvuil was onzichtbaar. Meneer Ratti prikte met zijn stok in een witte bult. Het bleek een stapeltje bakstenen. Hij prikte in een andere witte bult. Het bleek een afgeragde plastic driewieler.

“De dingen buiten zijn nu ook al tegen me,” zei hij hees. “Ik keer om.”

Het was moeilijk de kinderwagen door de stroeve sneeuw te duwen.

“Ts... nota bene een lege kinderwagen. Dat is me ook nog nooit overkomen...”

Hij deed er drie keer zo lang over om thuis te komen.

“Vanmorgen heb ik hier nog een parkeerverbod geschilderd,” zei hij hijgend. “Daar is ook niks meer van te zien... Maar wat ik wèl zie...” en zijn lange neus boog naar de grond, “... ik zie een gesmolten cirkeltje in de sneeuw... Ts... buurvrouw Sijp heeft hier haar hondje uitgelaten... En daarnaast nog een rondje, welja... ze heeft die knakworst ook nog lekker een hoopje laten draaien... Op mijn stoep! Op mijn parkeerverbod! Het begint al te bevriezen, de vlokken blijven erop liggen... Mooi zo, dan is het makkelijk op te pakken, zonder dat het uit elkaar valt...”

Meneer Ratti priemde zijn stok in het hoopje en wipte het uit de sneeuw.

“Ik houd ervan de straat schoon te houden.”

Voorzichtig voerde hij het hoopje naar de deur van juffrouw Sijp.

“Bovendien is het netjes iemand zijn eigendom terug te bezorgen. Dat is zoiets als een goede daad...”

Hij stak het hoopje door de brievenbus en schudde met de stok tot het eraf gleed en op de deurmat plofte.

“Zo. En nou hoop ik maar dat het zo'n ruige, stoppelige mat is. Zodat ze er een lekker karweitje aan heeft om hem schoon te krijgen.”