"Rietmussen' ontvluchten Tsjechische skinheads

ROTTERDAM, 20 DEC. "Rakosnici', zo worden in Tsjechoslowakije in de volksmond de Vietnamese gastarbeiders genoemd: rietmussen. Ooit zijn ze in het kader van de socialistische ontwikkelingshulp met klaroengeschal verwelkomd, samen met gastarbeiders uit Cuba en Mozambique, uit Mongolië en Laos. Zij zouden in de relatief goed ontwikkelde industriestaat Tsjechoslowakije een mooie opleiding krijgen en dan als geschoold arbeider, technicus of ingenieur naar hun land teruggaan: internationalisme in optima forma.

De theorie was mooi. De praktijk zag er minder rooskleurig uit. In die praktijk werden de Vietnamezen in de industriesteden van het socialistische Tsjechoslowakije in getto's opgeborgen en in de meest nederige baantje te werk gesteld. Aan de werkbanken en de machines stonden geen Vietnamezen. Vietnamezen die naar Bratislava of Praag waren gekomen om medicijnen te studeren, kregen een baan als inpakker of schoonmaker of straatveger.

Tot contacten met de Tsjechoslowaken kwam het nooit: in hun getto's leefden de Vietnamezen onder toezicht van hun eigen "bewakers', ze kregen door hun eigen vakbond hun eigen vertier voorgeschoteld, hadden hun eigen bars en restaurants. De lonen waren laag, en van die lonen werd eenderde deel ingehouden en aan de regering in Hanoi overgemaakt: afbetaling van de Vietnamese schuld aan Tsjechoslowakije, opgelopen tijdens de langdurige Vietnamese oorlog. Een ander deel werd in Hanoi op speciale bankrekeningen gestort om de gastarbeiders na terugkeer in Vietnam uit te betalen in Vietnamese valuta.

Van het schamele restant kochten de Vietnamezen doorgaans spullen als fietsen en geneesmiddelen, die ze hun familie in Vietnam stuurden. Er zijn perioden geweest waarin geneesmiddelen vrijwel niet te krijgen waren, omdat de hele voorraad door de Vietnamese gastbeiders was opgekocht.

Naar schatting meer dan honderdduizend Vietnamezen hebben op die manier in de diverse Oosteuropese landen jarenlang een mensonwaardig leven geleid, uitgebuit en afgeschermd van de lokale bevolking. En onbekend maakt onbemind. Vooral sinds 1987, toen in Bratislava twee Tsjechoslowaakse arbeiders door Vietnamezen werden vermoord, is het steeds vaker tot incidenten gekomen. De Vietnamezen werden wanstaltige ziekten toegedicht, ze waren "onhygiënisch', ze hadden de zwarte markt en de drugshandel in handen, ze waren crimineel.

Dat soort vooroordelen werd nog aanzienlijk versterkt na de val van het socialisme, toen het, met het stijgen van de sociale nood - met name de werkloosheid - steeds vaker tot uitwassen van discriminatie kwam, tegen de zigeuners, de Afrikaanse gastarbeiders en vooral de Vietnamezen. Inmiddels zijn de contracten met Vietnam over de gastarbeiders opgezet en vele duizenden Vietnamezen, vaak tegen hun wil, op het vliegtuig naar Hanoi gezet.

De Vietnamezen die naar Nederland zijn gevlucht hebben niet de benen genomen voor politieke vervolging: de vervolging - als dat woord al te gebruiken is - is sociaal. Die vervolging is niet het werk van de politie, maar van Tsjechoslowaakse skinheads. Zij is niet het werk van de geheime dienst, maar van Tsjechoslowaakse burgers, die, net als de Vietnamezen zelf, het slachtoffer zijn van het socialisme.

Dat Tsjechoslowakije hen niet graag terug ziet komen, is geen wonder: dat er aan de rand van de getto's van de Vietnamezen in de grote industriesteden regelmatig gevochten wordt door groepen skinheads en Vietnamezen is geen zaak waar men in Praag en Bratislava trots op is. De Vietnamezen moeten wat Tsjechoslowakije betreft weg: terug naar Vietnam. Zij behoren tot de erfenis van het socialisme, en die erfenis bevat heel wat luxe die men zich nu niet meer kan veroorloven.