Proust

Op de voorpagina van het CS literair van 29-11-1991 werd ik onaangenaam getroffen, in een artikel over het boek The Runaway Soul van Harold Brodkey, door de volgende, zeer onzorgvuldige bewering van de auteur van het artikel, Pieter Steinz: “Proust geloofde dat de herinnering niet door onze wil kon worden opgeroepen maar willekeurig geactiveerd werd door een geur, een smaak, een toevallige gebeurtenis.”

Proust onderscheidt namelijk in zijn romancyclus "A la Recherche du Temps Perdu' (RTP) zorgvuldig twee soorten geheugen en dienovereenkomstig twee soorten herinnering: enerzijds de "mémoire volontaire', het willekeurig geheugen, het geheugen van de intelligentie dat afhankelijk is van onze wil; anderzijds de "mémoire involontaire', het onwillekeurig geheugen dat door de toevallige ontmoeting met een "signe sensible', een zintuiglijk teken, een onwillekeurige herinnering kan oproepen. Deze onwillekeurige herinneringen of reminiscenties - de basis van het proustiaans oeuvre - zijn tekens uit een ver verleden met als voornaamste kenmerk dat ze extratemporeel, daardoor authentiek zijn, juist omdat ze buiten onze wil plaatsvinden. Deze onwillekeurige herinneringen geven het verleden weer in hun essentiële vorm zoals ze niet beleefd, noch door het willekeurig geheugen herbeleefd zouden kunnen worden.

Proust heeft niet gejokt: de smaak van de madeleine (een koekje, gedoopt in de lindebloesemthee) brengt plotseling de smaak van een andere madeleine, jaren eerder geproefd in de kamer van Tante Léonie, terug, en via metonymie, niet alleen die kamer maar eveneens de straat waar die kamer op uitkeek, de kerk, het stadje Combray, de twee kanten; kortom "het onmetelijke bouwwerk van de herinnering'.

Noch Brodkey, noch Steinz hebben iets begrepen van deze geniale ouverture van de RTP waarin dus geen sprake is van een reproductie van willekeurige herinneringen. De RTP moet in de eerste plaats gelezen worden als het verhaal van een roeping, een leerschool: een verteller moet schrijver worden, hij moet leren de tekens van de werelden en de mensen om hem heen te interpreteren, te ontcijferen, zodat hij uiteindelijk in staat zal zijn de sleutel te vinden die de deur opent naar het te realiseren kunstwerk.

Het moge duidelijk zijn - maar het betreft misschien een boude bewering - dat het levenswerk van Brodkey niet in de schaduw kan staan van de RTP waaraan in dit artikel te pas en te onpas onjuist gerefereerd wordt.

Dan het belachelijke klagen over de "lijvigheid van meesterwerken': een echt meesterwerk telt geen bladzijde te veel. Een echte Proustlezer geeft het nooit op en laat zich niet afleiden want voor de ware Proustiaan - de heer Steinz behoort nog lang niet tot de ingewijden - is er maar één boek: Het Boek: "A la Recherche du Temps Perdu'.