Onweer in het zuiden

De prins keek omhoog. Hij zag de lucht en hij zei bij zichzelf: Wat is het donker in het zuiden. Hoe zou dat komen?

Een domme vraag, zei hij even later. Er zit daar natuurlijk onweer in de lucht.

Dat kon best waar zijn, maar de prins wilde het zeker weten. Hij liet daarom zijn paard uit de stal halen, sprong in het zadel en galoppeerde weg. Een fikse ruiter, zeiden de mensen die hem nakeken.

Hij wist dat en hij vond het plezierig, maar zodra hij de stad achter zich had gelaten, liet hij het dier stappen, zonder zelfs maar aan de teugels te denken. Hij dacht aan zijn vader.

Hij dacht als een prins die zijn vader, de koning, moet opvolgen en die dat maar niet ziet gebeuren. Hij hield van zijn vader, maar hij wilde zo graag diens kroon op zijn eigen hoofd zetten.

Hij zuchtte. En hij merkte, dat zijn paard niet verder stapte. Dat was maar goed ook, want ze stonden aan de oever van een brede rivier.

De veerboot kwam er al aan. Twee mannen aan de riemen. De prins leidde zelf zijn paard aan boord, de beide roeiers waren nog lang niet moe en zo ging het met een vaart over het water, verder naar het zuiden. Waar het steeds donkerder werd.

De prins had tot aan de rivier toe alleen maar tegen zijn paard kunnen praten. Hij wilde wel eens wat anders horen. Hij vroeg aan de veermannen: Hebben jullie een vader?

De twee begonnen te lachen. Nou en of, zeiden ze. Dit is zijn boot, maar hij roeit niet meer. Hij vindt zichzelf te oud.

En lachen jullie daarom, had de prins nog willen vragen, maar hij deed het niet. Toen ze bij de andere oever kwamen, bedankte hij, knikte heel vriendelijk en gaf hen geld, meer dan hoefde. En al rijdende op zijn paard zag hij dat de lucht in het zuiden bijna zwart was geworden. Hij dacht: zelf koning worden. Daar! In het donker!

Hij kwam waar hij wilde zijn. De lucht was nog zwart, maar het donker was verdwenen. De mensen hadden overal lichten aangestoken. De prins dacht: het lijkt wel feest. En dat was het ook. Optocht met muziek voorop en lange rijen zingende mensen. Ze keken pas naar de prins toen hij met zijn paard onder een lantaarn was gaan staan. De prins dacht: ik moet het niet doen, maar ik doe het toch. Hij riep: willen jullie dat ik hier koning word?

De mensen hoorden het. Ze lachten en riepen: we hebben al een koning en hij is vanavond jarig!