Ontwerper Friso Kramer: vormgeven door weg te laten

Vormgeven moet, als ik er maar geen last van heb, Ned.3, 20.25-21.06u.

“Je droomt van de grote doorlopende aantallen, dan ben je pas met industriële vormgeving bezig.” In welke oplage de Revolt-stoel van Friso Kramer (1922) is gemaakt, weet hij zelf niet eens, maar het moeten er vele honderdduizenden zijn. Die stoel, zijn beroemdste ontwerp, voldoet aan zijn eigen citeria voor een geslaagd produkt: langdurige visuele en praktische bruikbaarheid.

Afgelopen dinsdag werd aan Kramer de David Röellprijs van het Prins Bernhardfonds uitgereikt; vanavond vertoont de NOS de film die Agna Rudolph over hem maakte met de toepasselijke titel Vormgeven moet, als ik er maar geen last van heb. Met plastische gebaren en onstuitbare energie vertelt hij over zijn werk en geeft zelfs "demonstraties' van zijn meubelen op een expositie in het nieuwe paviljoen van het Museum Boymans-van Beuningen. Op een oud stukje film zien we hem in de werkplaats van meubelfabriek De Cirkel een Revolt-stoel in de lucht gooien om aan te tonen dat die onverwoestbaar is.

Als ruggegraat van haar film heeft Rudolph de chronologische volgorde van zijn ontwerpen genomen: onder andere de Revolt-stoel ('54), idem tekentafel ('56) en bureau ('57), een oliekachel en de Result-stoel ('58), een buitenbrievenbus voor de PTT ('70), een straatlantaarn ('60), een hanglamp en een hout-met-polyester stoel, twee ontwerpen uit '66 die nooit in produktie zijn genomen. Daar staat tegenover dat zijn kantoorsysteem voor Ahrend, Mehes, weliswaar bijna dertig jaar oud is, maar de laatste drie jaar beter verkoopt dan ooit.

Agna Rudolph voert drie zegslieden op: directeur Ophorst van Ahrend, hoogleraar industriële vormgeving Hans Dirken en Wim Crouwel, directeur van Boymans en zelf ontwerper. Aan het eind van de film zitten ze met hem aan tafel terwijl hij een uiteenzetting geeft van zijn oplossing voor alle verkeers- en milieuproblemen: de ondertunneling van Europa. Als alle vervoer van personen en goederen onder de grond gaat, komt het land weer vrij en kan, zoals Kramer zegt, “de hermelijn weer van de Oeral naar Zandvoort onbelemmerd doorhuppelen”.

Als portret is Vormgeven moet zeer geslaagd. Je krijgt een helder overzicht van wat Kramer heeft gemaakt, wat hem beweegt en zijn plaats in de Nederlandse industriële vormgeving. Helaas is de film fragmentarisch gemonteerd, voortdurend springen we heen en weer tussen de sprekers, de ontwerpen en Kramer zelf. Mede door de zenuwachtige minimal-muziek wordt het resultaat amechtig. Die sfeer strookt niet met de opperste concentratie waarmee Friso Kramer te werk gaat, een ontwerper die, zoals prof. Dirken zegt, vormgeeft door weg te laten.