Odes aan de mystieke extase van Juan de la Cruz

Tentoonstelling: Fuente; Juan de la Cruz 1591-1991. De Nieuwe Kerk, Dam Amsterdam, t-m 12 jan. Open: dagelijks 11-17u., ook alle feestdagen. Boek: ƒ 49,50.

Wat brengt een Japanse Zenboeddhist, een Joodse architect en een Duitse kunstenaar-pastoor samen onder het dak van de Nieuwe Kerk in Amsterdam? De herdenking van het feit dat vierhonderd jaar geleden Juan de la Cruz, Spaanse kerkhervormer, mysticus en dichter stierf. Vijftien internationale kunstenaars tonen werk waarvoor deze Jan van het Kruis de fuente (Spaans voor "bron') vormt.

Wat zoeken hedendaagse kunstenaars bij een man die in deze eeuw door het Vaticaan is uitgeroepen tot kerkleraar? Hebben we hier van doen met christelijk-religieuze kunst? Alleen al gezien de zeer uiteenlopende achtergronden van de deelnemers kan dat niet het geval zijn. Maar hun inspirator, die in al zijn gedichten een mystieke ervaring omschrijft, rechtvaardigt wél het woord "spiritualiteit' als samenbindend begrip. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om een letterlijke illustratie van het gedachtengoed van Juan de la Cruz.

Het is bekend dat avant-garde kunstenaars als Mondriaan en Malewitsj met hun "abstracte' kleurvlakken een metafysische ideaal wilden uitdrukken, ontleend aan onder meer de theosofie. Toch wordt in de kunstgeschiedenis vooral de formalistische vernieuwing in hun werk naar voren geschoven. In de bundel die bij de tentoonstelling is verschenen, wordt gewag gemaakt van een opleving van spiritualiteit in de kunst die veroorzaakt zou zijn door een tanend vertrouwen in technologie en vooruitgang. Is een dergelijke "honger naar het absolute" in de Nieuwe Kerk te bespeuren?

De Japanner Kazuo Katase heeft met twee wanden een hoek van de kerk voor zich opgeëist. Op de vloer ligt een cirkel van hemelsblauw pigment, erboven hangt een blauw peertje dat niet brandt. Door de gloed van het pigment lijkt de vloer de eigenlijke lichtbron. De maker legt uit dat hij met dit immateriële licht de leegte wil weergeven die San Juan tijdens zijn mystieke "verheffingen' bereikte en die hij het Niets noemde. Het niet-weten, het niet-verlangen, niet-willen is een staat van zijn die ook het boeddhisme kent.

In het schip van de kerk hangt, aan de haak van een kroonluchter, een Indiaans uitziend tapijt. Op ter plekke aan elkaar genaaide stukken leer beeldde de Spanjaard Alfonso Sanchez-Rubio een groot kruis af. De kunstenaar spreekt van "een ruimte voor het essentiële", meer kan hij niet zeggen want "ik ben maar een instrument, in handen van de Inspiratie.' Ook hij wekt de indruk dat het "aan alle weten ontstegen" zijn zoals Juan de la Cruz het omschreef, een extatische toestand is. De bezoeker staat daarbuiten, hij kan het alleen aannemen.

Herbert Falken, de Duitse pastoor, voelt zich verwant met de erotiek van het lijden die uit de poëzie van de Spaanse mysticus spreekt. Falken noemt die "bijna pornografisch" en doelt dan op de geselingen die de heilige in liefdesvuur voor God deden ontbranden. Falkens werk is somber en zwart maar tegelijk zinnelijk; "Zonder mijn schilderijen had ik het celibaat niet volgehouden", zegt hij lachend. Het duister keert terug in Arnulf Rainers Uebermalungen, inktzwarte schilderijen met alleen in de bovenhoek een spatje wit. Het zwart van de nacht is nodig om het licht te kunnen zien, luidt de zienswijze van de Oostenrijker. Zijn sobere werken komen in het kranskapelletje mooi tot hun recht.

Samen met de geheimzinnige maquette voor een doolhof die de architect Daniël Libeskind voor Juan de la Cruz ontwierp en die misschien in de Flevopolder wordt uitgevoerd, zijn alle tot nu toe besproken stukken odes aan de mystiek en - meestal indirect - aan Juan de la Cruz. Daarnaast zijn er kunstwerken in de Nieuwe Kerk die een kritische noot laten horen. Hun werk is een stuk begrijpelijker voor de bezoeker, omdat het verwijst naar bestaande symbolen of de mogelijkheid tot associatie laat.

De meest in het oog springende is het immense, gebroken houten kruis van de Pool Marius Kruk. Eronder staan twaalf stoelen rond een tafel waarover gebroken glazen en serviesgoed is verspreid. Dit Laatste Avondmaal is gewelddadig verstoord. Het is de katholieke kerk die Kruk hier aanvalt, het dogma van het kruis en het gevaar van een instituut dat de mensen dom houdt.

Mensen moeten, net als Jan van het Kruis, in direct contact staan met God, zonder al die rituele poespas. Eén van de jongste deelnemers, Jean Carlier, dompelde vijf Mariabeelden in pek en veren, legde een vijfhoek -symbool van de magie en alchemie- op hun hoofd en zette daarop een karaf met de urine van een vrouw. Met dit "hekelwerk' wil de Belg "de vrouwelijkheid verheffen' die in het katholicisme zo'n ondergeschikte rol heeft. En in de preekstoel laat hij een zelfgemaakt grammofoonplaatje draaien dat opzettelijk in een groef blijft hangen en telkens dezelfde deun herhaalt. Het is een dodelijk commentaar op de woorden die eeuwenlang vanaf deze plek zijn gesproken. De beste werken in de kerk getuigen niet zozeer van een honger naar het absolute maar van een meer aardse hang naar individuele "waarheid'. Dat verbindt hen dan toch met Juan de la Cruz, die zijn leven lang vervolgd is vanwege zijn eigengereide ideeën.