Nog 12 dagen; "We horen ons hele leven al dat het beter wordt'

MOSKOU, 20 DEC. Andrej houdt het voor gezien. Twee weken geleden was hij nog somber, nu is hij dat niet meer. Hij heeft zich nu een hilarisch sarcasme aangemeten. Dat is opmerkelijk, om niet te zeggen, schokkend.

Want Andrej is altijd zo evenwichtig, zo redelijk, zo genuanceerd. Hij is, in één woord, een reformist, geen revolutionair. Maar nu, terwijl we onze rituele spaghetti eten, kijkt hij, voor zijn doen schuddebuikend, naar het vraaggesprek op de televisie met de Georgische president, Zviad Gamsachoerdia, de man die zijn schoonmoeder in Tschinvali nu al een jaar opgesloten houdt omdat Georgië het rebellerende Zuid-Ossetië als eigen bezit beschouwt en daarom maar heeft afgegrendeld. Andrej is begin dertig. Hij is geboren en getogen in Tsjeljabinsk, een industriestad in het zuidoosten van de Oeral, waar 35 jaar geleden een kerncentrale ontplofte, in vergelijking waarmee de ramp bij Tsjernobyl kinderspel moet zijn geweest.

Zijn vader was ongeschoold arbeider, maar klom op tot chef in een fabriek buiten Moskou. Andrej is de eerste academicus in de familie. Hij is econoom. Zijn leermeesters waren niemand minder dan professor Jevgeni Jasin, een van de adviseurs van Gorbatsjov, en scheidend vice-premier Grigorij Javlinski. Na zijn studie aan de staatsuniversiteit "Lomonosov' in Moskou is hij in de stad blijven hangen. Zonder verblijfsvergunning uiteraard, waardoor hij verstoken blijft van bonnen en is aangewezen op huizen die twintig keer zo veel kosten als normaal en ook nog eens geen greintje huurbescherming bieden.

“Ik ben er achter gekomen: ik ben misschien een redelijke Sovjet-econoom, ik weet waarschijnlijk het nodige van de Russische economie. Maar van economie begrijp ik niets.” De tranen springen je in de ogen. Want Andrej kan je altijd haarscherp uitleggen waarom er in dit land geen financieringstekort bestaat. Gewoon omdat de begroting niet meer is dan een velletje papier. Hij weet onomstotelijk aan te tonen dat al die produktiecijfers onzin zijn.

Eenvoudig omdat de meeste bedrijven in de boeken knoeien, zodat ze niet aan de staat hoeven te leveren maar met hun zwarte voorraad de "bartermarkt' op kunnen. Hij begrijpt waarom er geen honger is. De grote concerns hebben namelijk eigen kolchozen in bezit, of als kolonie, die alleen produceren voor de arbeiders van die ondernemingen. Dat alles omvat bij elkaar circa twintig procent van de landbouw. Andrej is in staat je moeiteloos te verklaren waarom de distributiekanalen niet meer functioneren. Sinds Brezjnev bestaat er al een markteconomie, zij het dat die toen nog "corruptie' heette. Hij heeft er geen enkele moeite mee om de ironie van de radicale hervormingsgolf te duiden.

De radicaalste pleitbezorgers van decentralisatie, zoals parlementslid Tichonov, waren tien jaar geleden immers de hardnekkigste propagandisten van een nog centralistischer planning. Met andere woorden, hij kent z'n land. Maar nu, nu zijn tijd in het nieuwe Rusland zou kunnen komen, vindt hij dat hij faalt. Hij heeft er geen vertrouwen in dat straks, met de vlag op het dak van het Kremlin, alles zal veranderen. “Het volk weet niet anders dan dat het over vijf á tien jaar allemaal beter zal worden. Dat horen we al ons hele leven. Het kan nu alleen nog maar de handen laten bungelen.” Maar waarom is Andrej dan ineens zo opgeklaard? Omdat hij heeft besloten het land te verlaten.