Neil Young's eeuwige jeugd; Hey, hey, my, my, rock 'n' roll will never die

Halverwege de jaren zeventig leek Neil Young al zo opgebrand dat zijn toekomst er somber uitzag. Inmiddels is hij, vele stijlen en plaatopnamen later, nog steeds springlevend en actiever dan ooit tevoren. Met de muziek die hij nu maakt, is hij een voorbeeld voor de jongste generatie popmusici. “Het is een vreemde speling van het lot: de "hippie' Neil Young als voorbeeld voor "avant-garde'-bandjes.”

Herman Verbeke en Lucien van Diggelen: Neil Young. Uitg. Kempen, 189 blz. Prijs ƒ 49,50

Neil Young & Crazy Horse: Weld. (Reprise-Warner, 2cd's). Prijs ƒ 69,90. Een derde cd met alleen feedbackgeluiden is onder de titel Arc verkrijgbaar; prijs ƒ 29,90. Van Weld is ook videoband verkrijgbaar.

Neil Young (1945) leek van het beroemde muziekkwartet Crosby, Stills, Nash & Young altijd degene die als eerste zou bezwijken. Niet alleen waren zijn liedjes over onmogelijke liefdes het treurigst en zijn stem het wankelst, hij zag er ook het breekbaarst uit van alle vier: op een mager lijf zat een zorgelijk, vroeg oud hoofd met lang, piekerig haar dat een ongezond leven deed vermoeden. Ik kan me nog een VPRO-documentaire over Neil Young herinneren uit 1972. Wat de inhoud precies was weet ik niet meer, maar de droefgeestige sfeer staat me nog goed bij. Toch had Young over succes toen niet te klagen. Zijn solo-lp Harvest werd in dat jaar de best verkochte langspeelplaat in de Verenigde Staten en met Heart of Gold had hij zelfs een nummer 1 hit.

Dertien jaar later zag ik Neil Young weer op de tv, toen hij in een vol Wembleystadion in Londen optrad in het kader van Live Aid, de actie van popmusici voor de hongerenden in Ethiopië. Nu was het anders. Eerst speelde hij, zo te zien vol levenslust, met een gezelschap cowboys dat The International Harvesters heette, een paar vrolijke country and westerndeuntjes en toen later Crosby, Stills & Nash opkwamen, bleek dat niet Young maar de anderen waren bezweken. David Crosby was een deerniswekkende, dikke, door druggebruik gesloopte man, die amper een noot kon uitbrengen en ook Stephen Stills was in omvang toegenomen en het zuiver zingen verleerd. Graham Nash wekte minder medelijden op, maar het was toch Neil Young die iets van het beschamende optreden moest redden.

Toch had Neil Young in 1985 weinig reden om vrolijker te zijn dan in 1972. In de jaren voor Live Aid had hij vreemde platen uitgebracht met synthesizermuziek en rockabilly, die nauwelijks werden verkocht. Zijn toenmalige platenmaatschappij, Geffen Records, had hem zelfs voor de rechter gedaagd, omdat hij platen maakte, “die niet commercieel van aard waren en muzikaal niet karakteristiek voor Neil Youngs vorige platen”: Neil Young werd aangeklaagd omdat hij geen Neil-Youngplaten maakte. Later, toen hij was vrijgesproken van deze bizarre aanklacht, zei hij: “Dat ik voor de rechter moest staan om te verantwoorden dat ik Neil Young ben, vond ik mensonterend. Alsof ik een soort merknaam was. Maar ik ben even veel Neil Young als ik op de wc zit of een stuk taart eet of een country & westernplaat maak.”

Vetkuif

Daar had Neil Young natuurlijk gelijk in. Maar de reactie van Geffen Records was ook niet helemaal onbegrijpelijk. Het gebeurt zelden dat een popmuzikant een paar keer achter elkaar zo drastisch van stijl verandert. Zelfs Youngs trouwste aanhangers, die in de jaren zeventig gewend waren geraakt aan de afwisseling van akoestische, weemoedige nummers met harde elektrische rock, konden hem niet meer volgen. Wat bezielde Neil Young om zich in het midden van de jaren tachtig een vetkuif aan te meten en in een glimmend wit pak samen met The Shocking Pinks rockabilly te spelen, alsof er in dertig jaar niets was veranderd? En waarom zette hij daarna een cowboyhoed op om in Nashville (Tennessee) country & westernnummers op te nemen?

Het antwoord op deze vragen zou iets duidelijk maken over het huidige succes van degene die voor velen gold en nog wel geldt als een vertegenwoordiger van de hippiegeneratie. In Neil Young, het Nederlandstalige boek van Herman Verbeke en Lucien van Diggelen dat onlangs verscheen, wordt het antwoord slechts gedeeltelijk gegeven. Het boek is typisch het produkt van twee hartstochtelijke Neil-Youngbewonderaars die alles weten en sparen van hun idool. Wie het erbarmelijke en soms onbegrijpelijke Nederlands (“We zijn drie individuelen” of: “Klinkt het, zoveel te beter”) voor lief neemt komt dan ook veel over Neil Youngs loopbaan te weten.

Over de eerste bandjes waar hij op de middelbare school in zat, bij voorbeeld, en over de nooit uitgebrachte nummers die hij als lid van The Mynah Birds samen met Rick James voor het soullabel Motown opnam. Verbeke en Van Diggelen zijn de boekhouders van Youngs oeuvre. Geen optreden van Buffalo Springfield, de eerste groep waarmee Neil Young aan de Amerikaanse Westkust succes had, blijft onvermeld en ook de wisselende bezettingen van zijn begeleidingsgroep Crazy Horse, waar Young sinds 1969 steeds weer op terugvalt en waar hij zijn beste platen mee maakte, zijn allemaal geboekstaafd.

Het leven van Neil Young komt er in het boek veel bekaaider af. Over zijn jeugd in Canada, zijn kinderverlamming, zijn huwelijken, en over zijn twee zoontjes die, tragisch genoeg, allebei een hersenafwijking bleken te hebben, komen we niet meer te weten dan uit andere bronnen al bekend was. Uit niets blijkt dat de schrijvers hebben gesproken met Neil Young zelf of met mensen uit zijn omgeving. Ze volstaan met de compilatie van interviews uit allerlei tijdschriften.

Straatjongens

Het voordeel van deze droge boekhoudersbenadering is dat elke wending van Youngs carrière precies is te volgen. Zoals zijn verwelkoming in 1979 van de punkmuziek, de aanval op de gevestigde orde van popmuziek waartoe Young zelf toch ook leek te behoren. Anders dan zoveel oude popsterren die punk beschouwden als lawaai van straatjongens die niet konden spelen zag hij er juist een herwaardering van de oorspronkelijke rock 'n' roll in: “Van de punkbands ging veel uit van wat ik altijd als rock 'n' roll had beschouwd: passie en verontwaardiging, nonconformisme, gevaar. Het zijn grote woorden, maar ze zijn toch altijd aanwezig in grote rock 'n' roll.” Op de lp Rust never sleeps uit 1979 staat dan ook een tribuut aan Elvis Presley en Johnny Rotten, de zanger van de punkband The Sex Pistols: Hey, hey, my, my (Out of the blue), een nummer dat in de beste punktraditie is voorzien van een scheurend gitaargeluid als gevolg van een kapotte versterker: “Hey, hey, my, my,- Rock 'n' roll will never die- The King is gone- But not forgotten- This is the story of a Johnny Rotten- It's better to burn out- Than to fade away.”

Rust never sleeps, een reclametekst van de excentrieke band DEVO voor een anti-roestmiddel, is niet alleen een goede titel voor Youngs plaat uit 1979, maar geldt ook voor de loopbaan van Neil Young: hij is op de vlucht voor roest. Anders dan groepen als The Dire Straits, die een eenmaal ontdekte succesformule tot in lengte van jaren uitmelken, is verandering voor Neil Young een noodzaak. Af en toe lijkt het zelfs of Young zijn angst voor roest overdrijft en te weinig kritisch is. Want wie, zoals ik, zijn meer dan twintig platen in korte tijd beluistert, moet toch vaststellen dat veel nummers ondermaats zijn.

Zoals het een protopunker betaamt heeft Neil Young zich nooit bekommerd om een valse of verkeerde noot meer of minder. Soms leidde dit tot aangrijpende resultaten, zoals Tonight's the Night uit 1975, opgedragen aan Crazy-Horselid Danny Whitten en roadie Bruce Berry, die beiden tenonder gingen aan druggebruik. Het is een van de minst gepolijste en somberste platen uit de geschiedenis van de popmuziek. Maar op andere platen zijn de nummers vaak te mager om een rammelende uitvoering te overleven of doen ze geforceerd "modern' aan, zoals op de synthesizerplaat Trans.

Maar sinds Live Aid in 1985 is het werk van Neil Young minder grillig geworden. Het is alsof hij eerst de Amerikaanse popmuziekgeschiedenis moest verwerken - folk- en countryrock in de jaren zeventig, de rock 'n' roll op Everybody's rockin' (1983), de country and western op Old Ways (1985), de (rhythm and) blues en soul op This Note's For You (1988) - voor hij zijn beste werk kon maken.

Commentaar

De melancholie van de liefdesliedjes op zijn laatste drie cd's is minder dik opgelegd dan in de jaren zeventig en gaat niet verloren in orkestraal geweld, zoals op Harvest nog wel eens het geval was. En het sociale commentaar is niet meer zo eenduidig als de eendimensionale verontwaardiging van Southern Man uit 1970, gericht tegen het conservatisme en racisme in het zuiden van de Verenigde Staten. Het nummer Rockin' In The Free World, bij voorbeeld, dat in een akoestische en in een luide, elektrische uitvoering voorkomt op Freedom (1989), is een lofzang op de (westerse) vrijheid. (“Er is geen andere vrije wereld dan de Westerse wereld”, beweert Neil Young, die in 1985 veel van zijn oude hippiefans verbaasde door de Amerikaanse president Ronald Reagan uitbundig te prijzen om zijn ferme houding tegenover de Sovjet-Unie.) Maar het nummer is wel een heel wrange ode aan de vrijheid, zoals blijkt uit de regels: “I see a lady in the night- With a baby in her hand- There's an old streetlight- Near a garbage can- Now she puts the kid away- And she's gone to get a hit.”

Ragged Glory (1990) en de live dubbel-cd Weld (1991) laten Neil Young en Crazy Horse van hun hardste en rauwste kant horen. Alle nummers zijn voorzien van vaak lange gitaarsolo's, in de voor Youngs spel zo kenmerkende harkerige stijl. Een groot technicus is Young nooit geweest, maar in het gebruik van ijselijke, langgerekte "feedback'-tonen is hij een meester - de cd Arc bestaat zelfs uit een compilatie van alleen feedback-kabaal: scheurend, jankend en loeiend gitaargeweld. Om het "smerige' geluid van hun "trash-rock' worden Neil Young en Crazy Horse terecht bewonderd door een nieuwe generatie popmusici, zoals Sonic Youth en The Pixies. Het is een vreemde speling van het lot: de "hippie' Neil Young als voorbeeld voor "avant-garde'-bandjes.

Youngs laatste twee cd's zouden een mooie afsluiting vormen van zijn carrière. Want niet alleen zijn Ragged Glory en Weld een kroon op zijn oeuvre, ze betekenen ook een terugkeer naar de elementaire elektrische rock van zijn plaat Everybody Knows This Is Nowhere uit 1970. De cirkel is rond: Neil Young is terug waar hij begon. Alleen is hij pas 45 jaar oud en niet van plan te stoppen.