Jij zult Superbarrio zijn; De irrationele werkelijkheid van Mexico-stad

Pijlstaartroggen in de voodoo-kiosk en vioolspelende skeletten met Allerzielen: in geen andere Latijns-Amerikaanse stad zijn mythen en riten zo nadrukkelijk aanwezig als in Mexico-stad. Het Tropenmuseum in Amsterdam geeft een zwaar aangezet beeld van de stad die werd gebouwd door de Azteken en inmiddels groeit met 40 vierkante kilometer golfplaat en bordkarton per jaar. “Misschien is het toch beter om in al die grotestadsbewoners - metropassagiers, punkers, wandelaars op een plein - geen Azteken en Spaanse avonturiers te willen zien die somber ronddolen buiten hun eigen eeuw. ”

Tentoonstelling Mexico-stad. Amsterdam, Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2. T-m 23 augustus 1992. "Estampas Mexicanas' prenten uit het negentiende-eeuwse Mexico; Tropenmuseum, t-m 23-2 1992. Mexico-stad; een literaire verbeelding. Ed. Geke van der Wal en Fleur Bourgonje (vertaling). Uitg. Koninklijk Instituut voor de Tropen-Novib; Prijs: ƒ 35,00.

Een legende.

Op een vroege decemberochtend in het jaar 1531 loopt een Indiaan over een berghelling in Nieuw-Spanje. Hij is niet gelukkig. Zijn familie is gestorven of zal binnenkort sterven, door een sabelhouw of aan een exotische ziekte zoals de mazelen en de griep. Niets is meer hetzelfde. Zelfs zijn bloeddorstige maar vertrouwde goden moeten zich schuilhouden tot de volgende hagepreek, een haastklus buiten de officiële kalender om. Zie, deze blokken steen waarop nu onkruid groeit waren ooit de tempel van Tonantzin, godin van de vruchtbaarheid. En in de diepte van de vallei, op het grootste eiland in het Téxcoco-meer is de wereldstad Tenochtitlán met de grond gelijk gemaakt. Ja, zijn Azteekse naam heeft hij moeten inruilen voor "Juan Diego'.

Vlak voor zonsopgang is de kou het hevigst. Maar dan, terwijl vogels vanuit het niets beginnen te zingen, verschijnt een prinses, een Azteekse prinses. Haar huid is bruin als caramel, zij heeft zwart haar en zij spreekt Nahuátl, zijn eigen taal. Ik ben de maagd Maria, zegt zij, de moeder van God, en ik wil dat op deze plaats voor mij een kerk wordt gebouwd.

Juan loopt de heuvel af, naar de lagune waarin de Spanjaarden hun nieuwe hoofdstad bouwen en hun nieuwerwetse tempel. De bisschop gelooft hem niet, hij wil bewijzen zien, Juan gaat terug en de maagd geeft hem een arm vol bloemen die hij in zijn hemd gevouwen naar beneden draagt. Het is december en dit is Mexico, maar om de knieën van de bisschop laat Juan Diego een boeket Castilliaanse rozen vallen. En in de plooien van zijn hemd is de beeltenis te zien van de Mexicaanse Maria, met zwart haar, een bruine huid en neergeslagen ogen.

De legende van de Maagd van Guadelupe was allereerst een propagandistische meesterzet, wellicht beraamd door de aanvoerder van de veroveraars, kapitein-generaal Hernán Cortéz zelf. Die had immers in zijn eigen geboortestreek, de Spaanse provincie Extremadura, gezien wat de aantrekkingskracht kon zijn van een niet-blank Maagdenbeeld, op wijfelende Moren en verse Christenen.

Spons

Zo was ook deze Maagd van Guadelupe een Paard van Troje; een katholieke tijdbom in een geruststellende verpakking. Welke Indiaan zou zich niet gewonnen geven voor het verhaal van een landgenoot en een wonderbaarlijke Indiaanse die samen een Spaanse bisschop overtuigden van de waarheid? Na die twaalfde december 1531 bekeerden de Mexicanen zich massaal tot het ware geloof.

Dat betekende echter niet alleen onderwerping, maar juist ook tegenstand, Mexicaanse karaktervastheid, zo wordt dezer dagen, bijna vijf eeuwen na de eerste veroveraars wel betoogd. Met haar Indiaanse trekken stond deze Maagd voor gemengd bloed; de Virgen de Guadelupe is een mestiza. In die visie waren het niet Spanje en de katholieke kerk die hun wil oplegden aan de Nieuwe Wereld, maar absorbeerde het eeuwenoude continent van de beide Amerika's de Europese nieuwkomers als een spons.

Hadden de legendes immers niet voorspeld dat van overzee een blanke broeder zou komen om zich bij hun aan te sluiten? Tegen zijn musketkogels en zijn efficiency stonden zij misschien machteloos, maar op één terrein hadden zij een voorsprong: zij konden zijn genen onbeperkt verdunnen.

De caramelkleurige maagd betekent daarom eigenwaarde: zij is de ziel van Mexico. Zo bezien ligt het voor de hand dat de priester-patriot Miguel Hidalgo y Costilla in 1810 juist in háár naam zijn kruistocht voor een onafhankelijk Mexico begon. "Weg met de Spanjaarden; leve de Maagd van Guadelupe!', riepen zijn guerrilleros. En de honderdduizenden die zich jaarlijks op hun knieën, in rolstoelen of in traditionele verenkostuums verzamelen bij haar basiliek op die bergrug boven het drooggelegde Téxcoco-meer zijn moeilijk huichelaars te noemen.

Zij is overal in Mexico. Op bidprentjes, op amuletten in de taxi's, op speelkaarten, in peeskamertjes, in vrachtwagencabines, en op de handgeschilderde ex-voto's waarmee de muren van elke Mexicaanse kerk bespijkerd zijn. “Ik dank de Maagd omdat ik al mijn zaken heb kunnen afhandelen en nu zonder problemen deze stad kan verlaten”; “Señora Loreta Escalón was haar zoon gedurende drie jaar kwijt en vroeg de Maagd om haar zoon weer te mogen zien. Omdat dit wonder is geschied biedt zij dit aan”; “Ik dank de Virgen van Guadelupe voor een bewezen dienst omdat mijn neefje van vijf ongedeerd bleef bij een aanrijding door een vrachtauto”; “Ik dank de Maagd voor mijn ontwenningskuur”.

Stenenslinger

Nog een legende.

Gómez - zeg maar De Vries - komt thuis. Hij eet zijn bonen, kust zijn kinderen welterusten en zijgt neer voor de televisie. Het is 12 juni 1987, precies een half jaar vóór en een half jaar na de naamdag van de Mexicaanse schutspatrones. Hijzelf is niemand, maar Gómez kent zijn klassieken. Zoals het verhaal van de grote Indiaan die, gemaskerd en met en stenenslinger de conquistadores uitdaagde, niet ver van de wijk, de barrio waar Gómez nu woont en die beloofde terug te keren zodra het vaderland opnieuw in gevaar was.

Gómez is ook verslaafd aan comics, de Amerikaanse pulpstripverhalen. Vertel hem niets over De Menselijke Fakkel, Spider Man, The Silver Surfer (De Wachter van de Ruimtewegen), The Punisher en hun vermexicaanste mutaties, die het in hun veelkleurige ondergoed opnemen tegen De Gier, De Robot, of de nazaten van Adolf Hitler, en altijd vóór de slachtoffer van het systeem: de naamloze underdog, Gómez.

Dan hoort hij klokgebeier en in zijn donkere huiskamer schijnt een fel licht. Als hij in zijn ogen wil wrijven, voelt hij dat zijn gezicht bedekt wordt door een masker. “Vanaf nu zul jij de schrik der huisjesmelkers zijn”, zegt een donderende stem. “De toeverlaat der armen. Je bent ontsterfelijk. Je bent een Mexicaan. Jij zult Superbarrio zijn!” "Zap!', is in reusachtige pop-art-letters boven zijn hoofd te lezen en temidden van de optrekkende toneelrook staat daar de nieuwe held van de volksbuurten, met een gele cape en een rood balletpakje, op zijn borst de letters S en B die samen een wapenschild vormen.

Vliegen zoals Superman kan Gómez niet. Wel is hij sindsdien een vaste verschijning op straat: bij demonstraties, bij onderhandelingen met de stadsautoriteiten, hij staat aan de goede kant bij razzia's, houdt een bliksemspreekbeurt in het stadsparlement en voert campagne tegen aids: “Usemos el condón!”

Wie is Superbarrio? Wie zal het zeggen? Hij heeft een buikje, zegt men, een beetje x-benen en achter zijn masker kauwt hij zijn bonen. Ook bidt hij gewoon tot de Maagd van Guadelupe. Hij is Gómez, hij is iedereen.

Hersenschimmen

Als de tentoonstelling Mexico-stad in het Amsterdamse Tropenmuseum één ding duidelijk maakt, is het wel het belang van het irrationele. Het irrationele naar "westerse' normen, wel te verstaan. Want Mexico-stad, gebouwd en vervolgens voortwoekerend op de puinhopen van de Azteekse hoofdstad Tenochtitlán, is behalve uit asfalt, sloppen en paleizen vooral gemaakt van wat in Europese ogen hersenschimmen moeten lijken.

In geen andere grote stad in Latijns Amerika, zo lijkt het, zijn mythen en riten zo nadrukkelijk aanwezig temidden van alle energieke pogingen zo snel mogelijk te verwestersen. Of is dat maar schijn en is de werkelijkheid van Mexico-stad dunner dan de taferelen in het Tropenmuseum ons willen doen geloven? Misschien is het inderdaad beter om in al die grotestadsbewoners - metropassagiers, punkers, wandelaars op een plein - geen Azteken en Spaanse avonturiers te willen zien die somber ronddolen buiten hun eigen eeuw. En welke doorsnee Mexicaan zou wel eens gehoord hebben van de kunstenares Martha Hellión, die in 365 plexiglazen kubusjes haar "persoonlijke archeologie' van geplette kroonkurken, zand en geblakerde krantesnippers heeft bijeengebracht? Anderzijds, wil het zeer Nederlandse "educatieve' apostelwerk van het Tropenmuseum en de Novib wortel schieten, dan is enige overdrijving misschien wel nodig.

De vioolspelende skeletten van Allerzielen, de voodoo-kiosk met heilzame waters en gedroogde pijlstaartroggen, de indianendans, de lawaaiige subcultuur van de Trabajadores Rockenr⊘leros Istitucionales ("El Tri') en de authentieke afvalhoop die hier tussen de neogotieke bogen en trappenhuizen bij elkaar zijn gezet, zijn daarom op een bepaalde manier geloofwaardig.

En sommige taferelen, zoals de "kapel voor de vijftienjarige' is op zichzelf de omweg waard. Het feest van de vijftiende verjaardag markeert voor Mexicaanse meisjes de overgang naar het vrouw-zijn (al wijst de praktijk uit dat dat jaren eerder gebeurt) en daarbij hoort een feest. In een - helaas anonieme - fotoreportage is te zien hoe Sussy Tinoco ter biecht gaat en daarna aan de arm van een ingehuurde kadet haar entree maakt op haar eigen feest. Daar wordt alleen rum-cola gedronken. Als de oude heer Tinoco zijn dochter in de bodega ten dans vraagt en zijn eerste walspassen maakt, is dat goed te zien.

Het feest van de vijftiende verjaardag is een eclectisch sprookje. De nieuwe señorita draagt een bruidsjurk, maar is ook een soort Assepoester. Zij krijgt roze suikerharten, een bruidstaart - die in het Tropenmuseum is gemaakt door Jos van Wassenaar en Rob van Beveren, docenten aan de Berkhoff School of Food Preparation, bij station Amstel - en een pompoenkoets, ook van suiker. De muziek is van Strauss en bezingt een rivier, een herinnering aan de tijd dat de werkloze Maximiliaan van Oostenrijk Mexico moest besturen. Als de vijftienjarige rijke ouders heeft, krijgt zij een reis naar Europa, die onvermijdelijk eindigt te Wenen. Het feest van de vijftiende verjaardag is een bal voor Mexicaanse debutanten; in Noord-Amerika krijgen rijke meisjes een borstcorrectie of een facelift.

Verkeerslawaai

Even geslaagd is de fotoserie die fotograaf Theo Uytenhaak maakte van een bijzondere bevolkingsgroep. Wie met zijn twintig miljoenen op 1.800 vierkante kilometer moet leven, ontdekt snel dat elk gebouw nog een extra verdieping heeft: honderdduizenden Mexicanen wonen op een dak. Het Tropenmuseum heeft Uytenhaaks foto's over het mistroostige en ook wel vrolijke leven boven het eeuwige verkeerslawaai opgehangen in een soort dakwoning.

Leunend op een balustrade heeft de museumbezoeker uitzicht op volle waslijnen, een kippenhok, afgebroken televisieantennes en gigantische billboards die sigaretten en drank aanprijzen, zoals het hoort. In een (iets te net aangeveegd) dakhuis staat een formica tafel met vier stoelen, emaillen pannen en een kippenhok. Hier woont een gezin. De vader, de moeder en hun vijfendertig kinderen moeten hier hun onschuldige slaap slapen op een lakenloze matras, terwijl hun caramelkleurige lichamen beschenen worden door het rood en geel knipperende neonlicht van Corona Extra Cerbeza.

Deze tentoonstelling is een zwaar aangezet, maar geslaagd portret van deze ene krankzinnige stad. Het is daarom een beetje jammer dat het Tropenmuseum juist deze stad als onderwerp gekozen zegt te hebben omdat zij model zou staan voor alle metropolen van Latijns Amerika.

Tot op zekere hoogte gaat die vergelijking inderdaad op. Rio de Janeiro, Sao Paulo, Buenos Aires, Lima, Bogotà en Santiago de Chile kennen dezelfde fabelachtige verkeersproblemen, smog en buitenwijken die sneller aanslibben dan het stadsbestuur de metrolijnen kan verlengen. Misschien is het in Mexico alleen iets erger: per jaar groeit de stad met 40 vierkante kilometer golfplaat en bordkarton.

Mexico-stad heeft de "informele' schaduw-economie van voor-wat-hoort-wat, zijn lijmsnuivers, zijn rijken in hun gepantserde villa's, zijn corrupte politieagenten, zijn vuilnisbeltbewoners en zijn aandeel in de vigilantes en vermoorde kinderen.

“Wat in Europa in 150 jaar gebeurde”, zei minister J. Pronk van ontwikkelingssamenwerking bij de opening van deze expositie, “gebeurt in Afrika, Azië en Latijns Amerika in nog geen vijftig jaar. Waar zich in Europa een hiërarchisch netwerk van kleine, middelgrote en grote steden ontwikkelde, lijkt in ontwikklingslanden de groei steeds meer in mega-steden te ontwikkelen. (-) De groei van die steden wordt niet langer in de eerste plaats veroorzaakt door migratie van het platteland, maar door de autonome toename van de stedelijke bevolking zelf.”

Mexico-stad is zo'n Latijns-Amerikaanse mega-stad, maar tegelijkertijd maakt deze tentoonstelling duidelijk dat Mexico-stad a-typisch is.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit een paviljoen waar wordt uitgelegd hoe verkeerd management van de waterhuishouding voor unieke problemen zorgt. De Azteken bouwden hun "drijvende tuinen' in de moerassige lagune van het hooggelegen Téxcoco-meer, waar het water moeilijk wegkon. Zij handhaafden een evenwicht met slimme sluizen en kanalen, maar de Spanjaarden hebben dat vermoest met ontbossingen en egalisatiewerk. Sindsdien stond de stad voortdurend onder water. Geen drainagestelsel - noch het "afvoerputje van Enrico Martinez' uit 1607, noch het peperdure stelsel van reusachtige buizen dat nu wordt aangelegd - heeft dat tot nu toe kunnen veranderen. Het hemelwater kan niet weg en drinkwater moet van ver gehaald komen. Door drinkwateronttrekking in de laatste eeuw is Mexico-stad een meter of twintig gedaald en scheurt de kathedraal nu bijna uit zijn voegen.

Dit alles willen wij graag weten. Maar niet als voorbeeld van algemene problemen in de Derde Wereld. Wij willen niet educatief gekerstend worden. Wij geloven het zo ook wel.