In hout gehakte bankbiljetten; Hedendaagse Afrikaanse kunst in Groningen

Nog steeds halen westerse musea voor moderne kunst hun neus op voor de vreemdsoortige, kunsthistorisch moeizaam of geheel niet te herleiden schilderijen en beelden uit Afrika. “Kostbare zestiende-eeuwse bronzen uit Benin kunnen we nog wel plaatsen, maar grafpalen uit Madagascar waarop ossen, drummers of vliegtuigjes balanceren daar weten we geen raad mee.” In het Groninger Museum is nu toch werk van vijftien hedendaagse Afrikaanse kunstenaars te zien.

Africa Now. Groninger Museum, Praediniussingel 59, Groningen. T-m 9 febr. Di t-m za 10-17 uur, zo en 26-12 13-17 uur. Gesloten op 25 dec en 1 jan. Catalogus 224 blz, prijs ƒ 95,-.

De schrijver Jacob Voorlandt kijkt dag en nacht naar de wolken. Hij heeft zijn bed onder de glazen koepel van zijn huis gezet. Liggend kan hij de luchten beter in de gaten houden. Hij maakt foto's van de hemelvlekken en hangt ze uitvergroot aan de wand, zoals dat horizontale naakt dat 's ochtends uit het melkwit opdoemde. Met Jacob Voorlandt, de miskende schrijver uit de roman Winterlicht van Jeroen Brouwers, loopt het slecht af. Eenzamer kan een mens niet leven. Dat wolkennaakt symboliseerde zijn muze. Ze is nooit komen opdagen.

Frédéric Bruly Bouabré tuurt verderop, in Afrika, in Ivoorkust, naar de luchten. Was het niet Leonardo Da Vinci die kunstenaars de raad gaf in het hemelgewelf naar inspiratie te zoeken? Bruly fotografeert niet, hij tekent in een enkele lijn datgene wat de wolken verbeelden, een legkip, het mooi gekapte hoofd van een vrouw of een abstract schemaatje à la Bart van der Leck, van wie hij nog nooit gehoord heeft.

Het zijn enkele voorbeelden van zijn vele tientallen eenvoudige "ansichtkaart'-tekeningen die nu in het Groninger Museum op de tentoonstelling Africa Now te zien zijn. Alleen deze notities zijn al een reis naar Groningen waard. Kleurpotloodjuweeltjes uit een dagboekachtige kaartenbak, waarop een kapmes, een egeltje of mijnheer Chirac staan afgebeeld, elk toegelicht met een tekstje in ballpoint. Bruly heeft niemand nodig, hij citeert zichzelf. Hij noemt zich "een boekhouder van het geschrevene'. Elk blad is genummerd en gedateerd. Elke dag biedt bergen observaties. Sterren, stenen, mensen en terrastafeltjes: hij komt ogen tekort.

De bejaarde Bruly was pas voor het eerst in Europa, en het beviel hem wel. Hij zag er die kille zondag in Groningen stralend uit in een sneeuwwit zomerkostuum. Over zijn bestoppelde zwarte hoofd lag een mist van net zo sneeuwwitte haartjes. Hij begroette "het vaderland Nederland' en "de mensheid', dat wil zeggen, zo'n vijftig belangstellenden die in de academie Minerva een symposium over eigentijdse Afrikaanse kunst bijwoonden. Zijn lezing moest een half uur duren. Na een minuut of vijf hield hij het voor gezien. “Alle beschaving is in wezen kunst”, zei hij. Hij hoopte dat "het opperste gerecht', het publiek, hem zou opnemen in het wereldrijk der kunstenaars. “Ik dank u voor uw aandacht”.

Pigozzi

Deze eigenaardige bijeenkomst in Groningen werd geopend door Jean Pigozzi, de Zwitserse verzamelaar die na een bezoek aan de Parijse tentoonstelling Magiciens de la Terre in 1989 zijn zinnen heeft gezet op hedendaagse "Derde-Wereld-kunst', te beginnen met Afrikaanse beelden en doeken. De reizende tentoonstelling is geheel samengesteld uit zijn bezit. De bazige Pigozzi vindt dat hij ziek is, besmet met het verzamelvirus, waarvan de gevolgen inderdaad ernstige vormen aannemen. In zijn diverse woonhuizen zijn de schappen gevuld met blikken vliegtuigjes, doeken van zondagschilders - het liefst "héél slechte' Picasso-imitaties - oude tv's, Afghaanse tapijten met afbeeldingen van militair Sovjet-materieel, Brigitte Bardot-foto's, "de mooiste vrouw ter wereld', kalenders 'met snelle meiden', en metalen Vietnam-aanstekers die Amerikaanse soldaten meenamen uit de zakken van overleden kameraden. Er staan meestal boodschappen in gegraveerd: "Ik weet dat ik in de hemel kom, want ik heb in de hel geleefd'.

Voor zijn Afrikaanse kunstcollectie laat Pigozzi de Franse conservator André Magnin, destijds betrokken bij die Magiciens-tentoonstelling, kriskras door Afrika reizen. Magnin mag alleen kunstwerken kopen die gespeend zijn van westerse invloeden. De meeste particulieren verzamelen om maatschappelijk hogerop te komen, om te speculeren, om hun saaie leven te ontvluchten, meent Pigozzi. Hij niet. Hij verzamelt dellen van zeemeerminnen op aardewerken borden of imitaties van Léger die hij toevallig in Hanoi op de kop tikt. De volgende generaties zullen dit alles zeker weten te waarderen, meent hij, en dat geldt met name voor zijn hedendaagse Afrikaanse kunstwerken, gemaakt door "sterke mensen, die trots zijn op hun voorouders'.

Hoewel de geraffineerde, moraliserende schilderijen van een Afrikaanse kunstenaar als Chéri Samba al in stock zijn genomen door Franse en Amerikaanse galeries, laten diens collega's zich vaak nog ontdekken in stoffige steden of de bush-bush, zo vertelt kunstreiziger Magnin. Na drie weken zwerven in het door burgeroorlogen geteisterde Mozambique om in het middengebergte de beeldhouwer John Fundi te ontmoeten, bleek de kunstenaar al een jaar eerder te voet naar Tanzania te zijn vertrokken. Magnin reisde hem achterna. Ergens boven Dar-es-Salaam op een kruising van twee wegen stond de voormalige boer Fundi onder een afdak aan zijn beelden te hakken. Angstige gedrochten uit ebbehout, met smalle paardachtige koppen, tandvolle bekken, geknikte knieën, omgord door slangen, die nu in het Groninger Museum staan. Terwijl de meeste Makondé-snijders zich buigen over girafjes en naakte dametjes, waar toeristen graag naar grijpen, ging de inmiddels overleden Fundi stug door met zijn kronkelige beelden over het goede en het kwade. 's Nachts kwamen er boze geesten in zijn dromen langs, die hij de volgende dag meteen moest uitbeelden.

Behalve Bruly hadden ook de andere Afrikaanse kunstenaars die dag in Groningen niet zo veel te melden. "Dit is mijn naam, en dát maak ik'. Pas op voor mijn volgelingen, waarschuwde de succesvolle Chéri Samba nog. De mate waarin ik geïmiteerd word, is werkelijk te dol. Zij schilderen soms net zo goed als ik, maar alleen ik ben de echte Samba. Let op het aangehechte visitekaartje.

Grafpalen

Het vergt enige lef van een museumdirecteur om deze Afrikaanse werken tentoon te stellen. Nog steeds halen de westerse moderne kunst-musea hun neus op voor die vreemdsoortige, kunsthistorisch moeizaam of geheel niet te herleiden doeken en beelden. Esthetische criteria laten zich nog nauwelijks formuleren. En wat moeten we eigenlijk beginnen met voorouders, geestesverschijningen en voodoo-tekens, die daar nu nog af en toe de kop opstekken? We weten wel raad met maskers of voorouderbeelden zodra ze op werken van Picasso of Man Ray terecht zijn gekomen. Kostbare zestiende-eeuwse, naturalistische bronzen uit Benin kunnen we ook nog wel plaatsen, maar de grafpalen uit Madagascar, waarop ossen, drummers of vliegtuigjes balanceren, zoals in Groningen, nee, daar weten we geen raad mee. Een beetje eng, hè! Ze passen nergens in onze collecties.

Het was dan ook geen toeval dat geen enkele conservator van een museum voor moderne kunst zich voor het symposium had ingeschreven. Alleen enkele volkenkundige musea lieten zich vertegenwoordigen. Zelfs een Britse dame die volgens afspraak het woord zou voeren over "een nieuwe methode van kunstkritiek', liet het afweten.

In Amerika ligt dat al anders. De nieuwsgierigheid wint het van de schroom. De recente, omvangrijke tentoonstelling Africa Explores die nu door de VS reist, is uitgemond in een degelijk, rijk geïllustreerd boek, waarin de beeldende-kunstuitingen van Afrika keurig zijn gecategoriseerd: van "New functional Art', traditionele voorwerpen in een experimenteel jasje, tot Afrokitsch, ballpoints in de vorm van een ouderfiguur, gestoken in westers burgermanskostuum.

Bankbiljetten

Geen ballpoints in Groningen. De tentoonstelling beperkt zich tot het sterk variërende werk van vijftien kunstenaars. Jean Baptiste Ngnetchopa uit Kameroen hakt bankbiljetten uit in één meter brede reliëfs. De Zaïrees François Thango is de schilder van smalle "friezen' met een decoratieve jungle van dieren, mensen en dingen, teruggebracht tot enkele primaire kenmerken of contouren. Fabelwezens, die het hoe dan ook met elkaar moeten vinden. Elk detail verdient dezelfde ééndimensionale nadruk, hoewel de slangachtigen opvallend vaak de kop opsteken. Uit het Zuidafrikaanse thuisland Kwandebele komen de abstract-geometrische patronen van Esther Malangu. Net zoals andere vrouwen daar bracht zij haar paars-blauw-roze-zwarte schilderingen eerst op de binnen- en buitenmuren van woonhuizen aan. Nu loont het om op linnen te schilderen. De Parijze modehuizen verwerken haar driehoekige patronen al in zomerdessins.

Behalve voor Bruly's ansichtkaarten en voor de realistische straattaferelen van de Zaïrees Moke, moet men beslist naar Groningen voor de sobere schilderijen van Cyprien Tokoudagba uit Benin. Zijn geheime voodoo-symbolen, zoals trommels, drakekoppen, ledematen en vogels strooit hij over het witte linnen als fragmenten van een rebus. Eigenlijk hoort zijn taal op de muren thuis. Hadden ze hem de Stopera maar onder handen gegeven.

En nu we het toch over architectuur hebben, de Zaïrees Bodys Isek Kingelez ontwerpt de meest groteske gebouwen die ik ooit gezien heb. Op een dag in Kinshasa had hij niets te doen, en is toen maar gaan knippen en plakken. Zijn "Papillon de Mer' bij voorbeeld; een viervleugelige vlindervorm, rustend op roze pilaartjes, met golvende daken en zijmuren, versierd met strikken, sterren en koorden. Zeevlinders leven kort maar hevig, ze dartelen aan het strand waar de zeemannen voorbijkomen, en waar liefdes worden geboren. Daarom, zei Kingelez, moest hij dit paviljoen maken. Hij wil kleuren gebruiken waarvan de stad in rep en roer komt. “Vindt u het niet verbazingwekkend dat één persoon dit in elkaar kan knutselen?” Ja, het verbaast hem niet minder.

Nog nooit had hij een voet buiten Zaïre gezet en dan staan daar toch in Groningen ineens exotische uitkijktorens met sierlijke glijbaanconstructies, luchtig gestapelde pagodes met veel plateautjes en trapjes, en zijn wit-blauwe Mongolique Soviétique, waarvoor ongetwijfeld nooit eerder geziene gebaksvormen, zoals een bruidstaart, model hebben gestaan. “Eigenlijk moet u mij feliciteren”, zei Kingelez, “omdat ik bij dit werk nauwelijks afval achterlaat. Ik kan alles gebruiken”. Hij kreeg meteen een applaus in Groningen. De resterende tijd van de forumdiscussie zag ik hoe zijn ogen nauwgezet het plafond, het daklicht en de zuilen van het interieur aftasten. Kingelez is nog lang niet klaar met zijn werk.