I.D. (identificatie)

De Joegoslavische schrijfster Dubravka Ugresic is uitgenodigd om in New York theaterwetenschappen te doceren. Ze vertelt over haar reis en aankomst: “Ja, wij zijn een land in oorlog.”

1

Voordat ik in het vliegtuig naar New York stap controleert een jonge beambte nog eenmaal de paspoorten.

- Zo een heb ik nog nooit van mijn leven gezien, zegt hij glimlachend.

- Dat zal misschien ook wel nooit meer gebeuren, zeg ik, terwijl ik mijn paspoort van hem aanneem, en ik moet blozen van mijn eigen plotselinge brutaliteit, de ongepastheid van mijn opmerking, van de toon die iedereen tot de orde roept die niet van "het geval' op de hoogte is, van deze toon die zo wezensvreemd is aan mijn natuur, maar die uiteindelijk, als een virus, toch ook in mijn stem is binnengeslopen. Ik moet blozen van deze toon, waarin mijn hele land doorklinkt, Joegoslavië, mijn arme Atlantis.

2

In het vliegtuig voel ik een huivering omdat het door mij genomen besluit niet meer kan worden teruggedraaid en nu definitief is geworden. En toch, ik moet er niet aan denken weer terug te gaan - evenmin als ik er aan moet denken dat ik me met al mijn emotionele last binnenkort heel ergens anders zal bevinden. Ik ben incompatible, ik pas nergens. Niet daar. Niet hier. Of waar elders dan ook. Mijn identiteitsbewijs is niet meer geldig, mijn paspoort is verlopen...

Een medepassagier vraagt vriendelijk waar ik vandaan kom.

- Uit Joegoslavië, zeg ik.

- Uit Servië of Kroatië? vraagt hij en ik lees op zijn gezicht een zekere trots, omdat hij van de zaken op de hoogte is. Eindelijk worden we herkend. Jarenlang heb ik gezien hoe graag de Joegoslaven herkend wilden worden. Eerst groeiden wij op in de overtuiging dat de hele wereld van ons bestaan afwist. Je hoefde echter de grens maar over te gaan, of je werd geconfronteerd met het teleurstellende feit dat niemand ons kende. Daarom knikten we blij met onze hoofden als een buitenlander ons juist wist te plaatsen. Aha! Tito! Tito was in het buitenland ons identiteitsbewijs. Joegoslavië - dat was Tito. Ik was er al helemaal aan gewend geraakt dat ze mij vroegen hoe het ging achter het "ijzeren gordijn', en mij enthousiast vertelden dat ze in mijn Joegoslowakije waren geweest, en hoe prachtig onze hoofdstad Boedapest was.

Ik was eraan gewend geraakt dat mensen uit Zweden mij vertelden dat onze gastarbeiders in hun badkamer varkens hielden, dat mensen uit Parijs met mij spraken over de Joegoslavische georganiseerde misdaad, over de joego-mafia, en uit Londen over de "ustase' en de "cetnici' ¹), en over joego-moorden. Ha, ha, jullie zijn een gevaarlijk volkje daar...

In het begin raakte ik helemaal van streek, ik begon alles uit te leggen, schoof het ijzeren gordijn opzij, noemde de republieken, de religies en de talen, ik legde uit dat wij niet waren als "zij' - de Bulgaren, Tsjechen, Roemenen... Ik haalde alle positieve punten erbij, de schoonheid van Dubrovnik, de verscheidenheid aan culturen in ons kleine Balkanland, ik sprak over de schoonheid van onze kust, over de voordelen van ons zelfbestuur, van onze betrekkelijke democratie en het feit dat iedereen vrij een paspoort kon krijgen, van onze variant van het soft communism. En toen, plotseling, kon ik niet meer. En hoe kon ik nu trouwens nog bewijzen dat "wij daar' helemaal niet gevaarlijk waren...

Ik kijk de passagier naast mij aan, ik zie een blik die op een antwoord wacht.

- Ik ben noch het één noch het ander, zeg ik. Ik weet niet wie of wat ik ben...

- Dan bent u in big trouble zegt mijn buurman medelijdend.

3

In New York bel ik een kennis op.

- Met wie spreek ik?! Kunt u uw achternaam nog eens zeggen? vraagt de secretaresse.

Ik herhaal mijn achternaam, ik spel hem.

- Aha! zegt de secretaresse vrolijk. It is with those little guys above the letters?

Plotseling voel ik me op mijn gemak gesteld. Ik ben iemand, met "those little guys' boven de letters van mijn achternaam.

4

Vanaf het Empire State Building lijkt Joegoslavië op het veelhoekige bord van een kinderspel. Daar, in de verte, zien we Brooklyn - Slovenië. De Sloveniërs-Brooklyners markeren zorgvuldig hun grenzen, zij willen geen deel uitmaken van New York, zij richten douaneposten in en voeren hun eigen geld in, dat er anders uitziet dan de dollar: de tollar. En daarginds ligt Queens - Servië en de Bronx - Kroatië. De Bronx doet wanhopige pogingen zelfstandig te worden, beweert dat het altijd al zelfstandig is geweest. Queens staat dat niet toe, Queens wil de controle behouden over heel New York.

De telefoonverbindingen tussen de Bronx en Queens zijn verbroken, alle informatie wordt geblokkeerd, met inbegrip van de televisie. De mensen uit de Bronx kijken naar tv-Bronx, de bewoners van Queens alleen naar tv-Queens. Ook de wegen zijn geblokkeerd. In de Bronx kun je alleen komen via Boston, in Queens via Chicago. Het Newyorkse federale leger staat aan de kant van Queens en voert heftige aanvallen uit op de Bronx. De Bronx is al voor de helft verwoest, er zijn veel doden, maar de bewoners zijn bereid voor hun Bronx hun leven te geven. Ook in New Jersey broeit er iets, daar wonen mensen van verschillende afkomst: uit Brooklyn, uit Queens en uit de Bronx. Aan welke kant zullen zij staan in de oorlog, die straks ook bij hen aan de deur klopt?

Amerika volgt de oorlog in New York heel rustig, alsof het om een video-spelletje gaat. Niemand schijnt te geloven dat de Bronx al voor de helft verwoest is en dat er lijken in de straten liggen.

Vanaf het Empire State Building lijkt het allemaal op een kinderspelletje. Misschien is Amerika daarom wel zo onverschillig. Maar daar, in de Bronx, blijft het allemaal even verschrikkelijk, er blijven mensen doodgaan, ze blijven de huizen kapotschieten. En wat is de waarheid: datgene wat men van bovenaf ziet of dat wat gebeurt in de straten van de Bronx? En is het allemaal echt alleen maar een kwestie van hoe je het bekijkt? Vanuit het standpunt van de media is de waarheid de overwinnig van één waarheid op alle andere. Maar hebben de media hierin werkelijk het laatste woord?

5

In de East Village, waar ik tijdelijk woon, kom ik bij een schoenmakerswinkel. In de winkel staan een dik vrouwtje en een donkere man - de baas. Uit een cassette-recorder komt Russische lichte muziek.

Ik vertel in het Russisch wat ik wil: de schoenen verzolen en dit hier, kijkt u maar, even vastlijmen...

- Waar komt u vandaan? vraagt de schoenmaker.

- Uit Joegoslavië...

- O...?! - zeggen ze en schudden meewarig hun hoofden.

- Komt u over een uurtje maar terug. Ik zal ze meteen maken - zegt hij met een warme klank in zijn stem en pakt mijn schoenen aan. Ik krijg een brok in mijn keel, plotseling moet ik huilen, ik moet huilen om dit moment van stil begrip, om dit onverwachte blijk van warme broederschap.

- Oké, oké... mompel ik, meer tegen mezelf, en ik hol de winkel uit.

6

Ik bel met mijn moeder in Zagreb.

- Het is net als toen je wegging... Misschien nog iets erger... Ze vallen opnieuw Dubrovnik aan, Vukovar is met de grond gelijk gemaakt, Osijek, Karlovac... Het is allemaal zo verschrikkelijk... Ik weet niet hoe we hier verder moeten leven... Ze strooien over ons een soort "spinrag' uit... Nee, wees maar niet bang... Ze zeggen dat het geen gifgas is... Met ons gaat het goed. Maak je geen zorgen... We zijn net uit de schuilkelder gekomen... Waar ik me het meest bezorgd over maak is dat je geen winterjas hebt meegenomen... Het is daar vast koud... Hier wordt haast niet gestookt... Er is geen gas... We zullen van de winter nog doodvriezen... En weten zij daar iets van ons?... Wordt er nog iets over ons geschreven... Maak je geen zorgen... Tot dusver zijn we nog goed gezond...

Ik val in kleine stukjes uiteen, het lijkt alsof ik mezelf nooit meer bijeen zal kunnen rapen. Het maakt totaal niets uit of ik daar ben of hier, ik ben precies net zo bang, ik sleep de angst met me mee als een grijze sluier van spinrag. En ik vraag me af wat de realiteit is: datgene wat toen was of dat wat nu is? Ik vraag me af vanwaar dat allemaal over ons gekomen is, die verschrikkelijke kwaadaardigheid, die wreedheid, die redeloze drang tot destructie? Vanwaar die verschrikkelijke, primitieve behoefte om alles wat men gezamenlijk heeft opgebouwd te vernietigen, plat te branden en met de grond gelijk te maken? Vanwaar die drang tot al dat zinloze en doelloze moorden - zomaar? Wat is de realiteit: datgene wat toen was of dat wat nu is?

7

Een jonge vrouw uit New York die zich voor "Oost-Europa' interesseerde, en die gehoord had dat ik schrijfster was, vroeg aan mij:

- En hoe gaat het nu bij jullie, na de perestrojka, met de censuur en zo...

- Neemt u mij niet kwalijk, maar ik denk dat u een ander land bedoelt, zeg ik.

- Ach, ja, neemt u mij niet kwalijk, probeert zij zich eruit te redden. U komt uit dat land in oorlog, is het niet?

- Ja, wij zijn een land in oorlog, zeg ik.

- Het spijt mij, zegt zij vriendelijk en glimlacht.

8

Een grijze novembermorgen. Ik maak een ochtendwandeling in de buurt van St. Mark's Place. Tegen de gevels van de huizen aangekropen liggen vele daklozen nog te slapen, anderen komen al uit hun vodden te voorschijn en steken hun eerste ochtendsigaret op. Het is nog vroeg voor Newyorkse begrippen, het is pas tien uur 's morgens. De straat is nog leeg, de handelaren in diverse spulletjes en prulletjes hebben hun kraampjes nog niet opgezet...

Plotseling voel ik een onweerstaanbaar verlangen om te gaan zitten, hier op straat, om me net als een dakloze in vodden te wikkelen, om tegen de muur van een huis aan te kruipen en me terug te trekken in een kartonnen doos...

In het grijze ochtendlicht komt een neger naar mij toe. Hij spreidt zijn armen, zwaait daarmee alsof hij met zijn vleugels slaat, een zwarte engel. Zijn blik ontmoet de mijne.

- Good morning Americaaa..., roept hij uit volle borst, en hij ontbloot zijn tanden in een brede grijns.

En plotseling zwaai ik zelf met mijn armen...

- Good morning..., antwoord ik.

¹) ustase en cetnici: oude, maar ook nu weer veel gebruikte termen voor de Kroatische resp. Servische nationalisten (vert.)