Hyperion: illusies in een kille wereld

Voorstelling: Hyperion naar F. Hölderlin van B. Maderna (nieuwe versie van P. Eötvös) door Asko Ensemble en Les Jeunes Solistes o.l.v. Peter Eötvös m.m.mv. Jacques Zoon, Bruno Ganz en Penelope Walmsley-Clark. Enscenering: Klaus Michael Grüber en Gilles Aillaud. Gezien: 19-12 Stadsschouwburg Amsterdam. Herhaling: 21

De prachtige voorstelling van Hyperion van Bruno Maderna - vorige week vrijdag door Kester Freriks uitvoerig geanalyseerd in het Cultureel Supplement - ontleent de uitzonderlijke kwaliteiten niet alleen aan de fraaie en doordachte enscenering van Klaus Michael Grüber, maar ook aan een voortreffelijke muzikale uitvoering.

Het Asko Ensemble speelt onder leiding van Peter Eötvös de vroeger zo moeilijke noten opzienbarend mooi en met schijnbaar het grootste technische gemak. Fascinerend is hoe violist Peter Brunt vanuit de akoestisch uitstekende orkestbak van de Amsterdamse Stadsschouwburg omhoog komt stijgen voor een lange en met grote concentratie gespeelde solo.

Daarnaast is er de intensiteit van de enkele soli op het podium - meer uiterlijk waarneembaars gebeurt er nauwelijks. Bruno Ganz als recitant is de personificatie van de menselijkheid. Jacques Zoon - een toonbeeld van onschuld - bespeelt zijn fluiten als ware hij Orfeus zelve. Tijdens haar aangrijpende aria's (Das alles ging mir wie ein Schwert durch die Seele) lijkt Penelope Walmsley-Clark dan de onbereikbare Euridice en ze herinnert tegelijkertijd aan de legendarische zangeres Cathy Berberian. Ook de muziek van Maderna - oud en vertrouwd - roept bij mij jeugdsentiment op, een jaren zestig-gevoel, de tijd van illusies, van strijd tegen de rest van de wereld.

Alles wat men ziet - een bijna leeg ijzig grijs-blauwdecor met enkele rotspunten draagt bij aan een kille sfeer van verstilling en verstarring, waartegen Hyperion zijn warm-menselijke adem in stelling brengt. Hij begint en eindigt met het blazen van zeepbellen en zijn fluitnoten daartussenin hebben dezelfde vluchtigheid. Alles is hier onzeker en dubbelzinnig, net zoals juist dankzij het beknopte karakter van de anderhalf uur durende voorstelling een eindeloze sfeer van stilstand en tijdloosheid wordt opgeroepen.

Toch is sinds Maderna tussen 1960 en 1969 aan Hyperion componeerde de tijd vergleden en de condition humaine definitief veranderd, zo laat Grüber op subtiele wijze zien. De zeepbellen herinneren nog aan de kleurrijke flower-powertijd. Maar de blauwe bal die van Jacques Zoon een bemoedigend duwtje krijgt, is een onze eigen kleine, kwetsbare aarde. Vroeger leek die oneindig groot en bedreigend voor de mens, nu ligt dat andersom. Dezelfde omkering beheerst al het begin van Hölderlins tekst van Aria I: Wie eine lange entsetzliche Wüste lag die Vergangenheit da vor mir.

Voor de voorstelling van vanavond is nog een aantal plaatsen beschikbaar.