Het begon in een groentewinkel; Grillige gedichten van Anne Vegter

Anne Vegter: Het veerde. Met prenten van Annelies Alewijnse. Uitg. Querido, 40 blz. Prijs ƒ 29,90

Wie De dame en de neushoorn en Verse bekken! kent, kan zich wel voorstellen dat er in Anne Vegter een dichteres schuilt. En wie, omgekeerd, alleen haar dichtdebuut Het veerde zou kennen, zal niet verbaasd zijn dat zij ook de schrijfster van twee gekke en grappige kinderboeken is. Want er zijn de nodige overeenkomsten tussen haar zogenaamde volwassenenpoëzie en haar zogenaamde kinderverhalen: een voorkeur voor verwondering en vervreemding, voor springerige overgangen en voor rare taal.

Het begint al meteen met de titel. Veerde is, denk ik, geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord - al wordt in de bundel nergens gezegd wie of wat er dan in welke hoedanigheid veerde. Het zal de verbeelding geweest zijn, die speels en lichtvoetig de vele invallen tot poëzie maakte. In een eerder stadium heette deze bundel Het achterhoofd gefronst, naar een regel uit een van de vijftien gedichten: geen lekker lopende titel, maar wel een aardige aanduiding voor de tegendraadse blik waarmee Vegter naar de dingen kijkt. Haar gedichten zijn grillig van karakter. Het zijn mengsels van dromen, dagdromen, dagboekfragmenten, spontane invallen, bizarre tafereeltjes en surrealistische scènes, voor wie tenminste de vrolijke kant wil benadrukken. Men kan er ook hedendaagse ontreddering, verwarring en onbegrip in lezen, want daarvoor zijn haar gedichten ”open' genoeg. Neem de avonturen van Sara Bertha (Dolly) Rootmond, die ons in een reeks van zes gedichten worden verteld. Onder de geestige en grillige buitenkant, met veel korte zinnen, tussenzinnen, haakjes en dubbele punten gaat een nogal triest zelfkantleven schuil: ongelukkig in de liefde, ongewenst zwanger, vader van het kind verdwenen, nieuwe vriend ook weggelopen, brengt een groot deel van de dag in bed door en een groot deel van de avond in café ”De Grootste Slok'.

Onbevangenheid en cynisme liggen hier dicht bij elkaar. Een gedicht met de Hollandse titel ”De bloemkool' begint in een groentewinkel, als volgt:

Hersens, dacht ik bij de bloemkool.

Doormidden? vroeg de groenteboer.

Om meteen daarna te vervolgen met ”En met het in mijn ogen wonder in een zak wist ik- buiten niet precies meer wie ik was en waar ik woonde.' Uit zulke regels blijkt nog eens dat Vegter zich niet door een strakke vormgeving laat leiden, maar alleen door eigen ingeving. Heeft zij zin in een archaïsche wending, dan gebruikt zij die: de bodem der te oude zak. Hoofdletters worden op vreemde plaatsen gebruikt: Maar het publiek was Behoorlijk Getroffen. En als Vegter geen zin meer heeft, schrijft ze eenvoudig enz..

Scenario

Grilligheid is Vegters grootste charme en, zoals wel vaker bij grillige dichters, ook meteen haar grootste zwakte. Haar gedichten hangen met hun vele losse zinnetjes tegen het scenario aan; en als de sprongen tussen die zinnetjes te groot worden, valt er van het scenario niet veel meer te maken. Het volgende gedicht ziet er keurig afgerond uit, is curieus van taal en intrigerend van inhoud, maar ik zou niet durven zeggen waar het nu werkelijk over gaat: seks met slangen, fellatio en masturbatie lijken mij enige van de mogelijkheden, maar het kan hier even goed gaan om een verrassend portret van een zich in zichzelf verlustigende slang of om een teder fantasietje:

EEN DAGJE UIT

Slang die over de buik grasduint,

aan de nek parkeert, de tongs rug

streelt, verdraait om het oor:

”U wilt uit neuken met de neus?'

Misschien is het niet meer dan een onschuldige droom geweest. De bijbehorende prent van Annelies Alewijnse, die alle vijftien gedichten van lichtjes interpreterende tekeningen voorzag, wijst in die richting, want daarop zien we dat de slang zich sierlijk n het hoofd van een meisje beweegt.

Zoveel is zeker: dit is onbekommerde poëzie, van iemand die niet goed weet wat haar allemaal overkomt, zelfs niet als ze zichzelf iets aandoet. In het geestige gedicht ”Toen ik springen ging' springt iemand in haar eigen huis van de balustrade naar beneden, vermoedelijk eerder uit nieuwsgierigheid dan uit levensmoeheid. In haar val ziet zij verwonderd een klok passeren,

en een verjaarskalender die daar nooit

erg handig heeft gehangen, meen ik.

Zo vergeet ik nog eens iemand.

Mooie onbekommerdheid is dat: zien dat de kalender niet goed hangt, en je zorgen maken over de verjaardagen die je zo vergeet - vlak voor je te pletter valt.