Een intellectueel reservaat

Ook een Neanderthaler moet grote moeite gehad hebben met het onthouden van een telefoonnummer van meer dan zes cijfers.

Ik vind dit een troostrijke gedachte, omdat dit gedeelde onvermogen mij verbindt met een ondoorgrondelijk verleden. De wereld van de Neanderthaler spreekt niet erg tot de verbeelding. In de literatuur bestaat geen genre dat omschreven kan worden als pre-science fiction. Vestdijk heeft in die trant een verhaal geschreven. Er is een fragment van Ferrucci, maar meer zou ik op dit moment niet weten. Filosofen houden zich een enkele keer met de oertijd bezig. Frits Staal en Ian Hacking hebben allebei een literair verslag geschreven van hoe de taal is ontstaan. Cees Nooteboom heeft op zijn reis door Australië Aboriginals ontmoet. Hij vond ze geheimzinnig en onbegrijpelijk wegens hun ouderdom. Voor zover zij in beschermde gebieden wonen heeft hun leven zich in duizenden jaren nauwelijks gewijzigd. Ze dragen het teken van een oneindig verwijderde afstamming met zich mee, een oudheid waarnaast je je vluchtig en oppervlakkig voelt, zoals de schrijver zegt. Hoewel mijn afstamming niet korter zal zijn, kan ik mij dat gevoel wel voorstellen. En het is misschien wel vreemd, dat ik dat gevoel niet heb bij mijn buurman. En waarom heeft niemand dat bij de aanblik van zijn dochter. Maakt het bezit van een Japanse spelletjescomputer haar uitsluitend eigentijds?

Het leven in een "Aboriginal Reserve' doet mij onmiskenbaar denken aan de filosofie. De reiziger vraagt aan een antropoloog hoe het is om in de verleden tijd te leven, terwijl je weet hebt van de tijd van nu. Hoelang is zo'n anachronisme vol te houden?

Voor wiens plezier moeten mensen nog wortels zoeken en noten stampen als het eten ook op een andere manier kan worden aangevoerd? Dat zijn fascinerende vragen. Het antropologisch antwoord is dat zo'n samenleving blijft zolang mensen er zin in hebben. Maar als je vindt dat zulke beschermde samenlevingen recht van bestaan hebben en dat met die bescherming ook een schuld wordt ingelost, wat moet je dan doen als de eerste tekenen van desintegratie zich voordoen?

Zodra de eerste spijkerbroek of nintendo zijn intrede doet wordt een beschaving van duizenden jaren vernietigd. Omdat wij sinds Frits Bolkestein zoveel belangstelling hebben voor de integratie van allochtonen en de bescherming van de Nederlandse cultuur, dreigen wij te vergeten dat Nederland zijn eigen intellectuele reservaten heeft. De filosofie is daar een goed voorbeeld van. Wat is onze houding daar tegenover? Naast een metafysicus met zijn oneindige afstamming voel ik me ook altijd nogal vluchtig en oppervlakkig.

Imperialisme

Waarom bestaan deze metafysici nog? Beschermen en tolereren wij hen uit schuldgevoel? De wetenschap, maar ook een wijsgerige stroming als het neopositivisme, heeft inderdaad een paar gevoelige klappen aan de metafysica uitgedeeld. Er zijn slachtoffers gevallen. Vooral Otto Neurath was een nietsontziende beul. Het neopositivisme heeft de roep de filosofie te zijn van het imperialisme. En het gekerm en gejammer van de overgebleven metafysici gaat je vaak door merg en been. Ik vermoed dat wij inderdaad protectie bieden aan de metafysica, omdat wij vrezen dat wij te ver zijn gegaan. Binnen de filosofie kunnen ontologie en metafysica op onze bescherming rekenen. Logica en wetenschapsfilosofie moeten zich zelf maar zien te redden. Maar hoe lang is zo'n anachronisme vol te houden? Mensen die binnen zo'n metafysisch reservaat leven dreigen toch schizofreen te worden, door zich vast te klampen aan overwonnen denkbeelden, terwijl zij weten dat er andere denkbeelden zijn. Iedereen weet toch dat een gedachte als: “Het ene is in feite steeds het ene dat het is, met betrekking tot dat andere - en omgekeerd. Het ene is kennelijk het ene van het andere. In zo verre is het andere het ene: het doet dit ene zijn, als wat het is, namelijk als het andere van dit ene - en daarmee nu juist dat ene”, een banaliteit is, die niet meer hoeft. En toch wordt deze gedachte, afkomstig van professor Aler in 1991 nog instemmend aangehaald. Het is wortels zoeken en noten stampen, terwijl men weet dat er ook iets anders te eten is. Onder jongeren moet dat op den duur problemen geven. Cornelis Verhoeven, zelf een metafysicus, zegt dat zijn collega's zich richten op het creëren van eigen "Nachwuchs', omdat zij zelf een navolger zijn in een oneindig verwijderde afstamming van navolgers, denk ik. Deze filosofen houden de studenten vanaf een bepaalde leeftijd gewoon thuis, als waren zij Turkse meisjes. En wij vinden dat goed. Wij protesteren niet tegen het debiliserende isolement. Wij subsidiëren het zelfs. Maar wat geeft ons het recht om jonge getalenteerde mensen te veroordelen tot een primitief gedachtengoed? En je schijnt je er ook niet mee te mogen bemoeien, want elke bemoeienis is een verstoring. Er is maar heel weinig dat mij met een metafysicus verbindt; het gedeelde onvermogen om een telefoonnummer van meer dan zes cijfers te onthouden. Toch ben ik nieuwsgierig naar zijn bestaan. Misschien kan Harry Mulisch, die een zekere entree heeft tot die wereld, eens een roman schrijven hoe het is om in zo'n protectoraatsgebied te verblijven. Dat zal toch wel mogen?