Duitse blufdiplomatie leidt tot solistisch optreden

In de aanloop tot Maastricht heeft Duitsland zijn best gedaan de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie en de Politieke Unie te doen slagen. Door de koppeling van beide Intergouvernementele Conferenties moesten beide succesvol worden afgesloten. De Duitsers waren bereid zich in Europa te laten "einbinden' mits de andere landen tot verdieping van de EG zouden besluiten. Zoals bekend waren de resultaten van de Europese Raad van Maastricht op het punt van de verdieping evenwel uiterst mager. Dit roept de vraag op of Duitsland nu ook minder hecht in het nieuwe Europa verankerd zal zijn.

Een veel voorkomende redenering over de positie van Duitsland in Europa is, dat dit land nooit meer een militair gevaar zal zijn. De historische last van Bismarck en de beide wereldoorlogen, die zwaar drukt op de schouders van de Duitsers, heeft volgens sommigen zelfs geleid tot het afzien van macht. Zij spreken van een Duits "Machtverzicht' of een "Machtvergessenheid'. Met het woord "macht' wordt dan bedoeld het manipuleren van andere landen door gebruik te maken van dwang of geweld. Deze opstelling heeft er ondermeer toe geleid dat de Duitse regering weigerde om aan geallieerde zijde mee te vechten in de tweede Golfoorlog. Tot nu toe weigert Duitsland ook om Duitse troepen in te zetten voor "out-of-area' optreden van de WEU of de Verenigde Naties.

Sinds de presentatie van het rapport van een parlementaire onderzoekscommissie op 24 september 1991, waarin de inzet van troepen in het kader van de EG, WEU, NAVO, CVSE of VN niet in strijd wordt geacht met de grondwet, is het echter louter een politieke keuze om al dan niet troepen in te zetten. In het geval van de Joegoslavische afscheidingsoorlog gingen er al veel stemmen op om Duitse eenheden te laten deelnemen aan een WEU-operatie. De Duitse regering achtte zo'n optreden echter internationaal niet opportuun en beriep zich wederom op de Duitse grondwet. Het militaire "Machtverzicht' van Duitsland staat in de binnenlandse politiek onder druk en deze druk zal in de toekomst verder toenemen als de Frans-Duitse brigade werkelijk de kern gaat vormen voor eenheden van de Westeuropese Unie, zoals in het in oktober 1991 gepresenteerde plan van Kohl en Mitterrand is voorzien.

Het gevaar van een verenigd Duitsland schuilt niet in zijn militaire capaciteiten, maar in zijn toegenomen politieke gewicht. Het gaat in Duitse ogen niet om macht, maar om het ontvangen van datgene waarop het land meent recht te hebben. Zo beklaagt Duitsland zich over het feit dat andere EG-lidstaten (lees: Frankrijk en Engeland) zich niet pro-Europees gedragen. De conclusie die hieraan verbonden wordt, is dat als andere lidstaten zich niet "Europees gedragen' Duitsland ook niet verplicht is om dat te doen.

Het enthousiasme voor de Europese Gemeenschap is dan ook sterk teruggelopen. In Maastricht had de verankering van Duitsland in Europa samen moeten gaan met de verankering van de overige lidstaten in Europa. De moeizame onderhandelingen hebben echter een ontnuchterende werking gehad. In de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 12 december schreef commentator Nonnenmacher dat het al dan niet erkennen van Slovenië en Kroatië de eerste test zal zijn of de Duitse concessies in Maastricht "stukjes brood' dan wel "stenen' zullen opleveren.

Nadat ten aanzien van Joegoslavië de zwakte van het optreden van de Gemeenschap in het buitenlands en veiligheidsbeleid al was gebleken, bleven op dit terrein de lidstaten in Maastricht volgens vele Duitsers opnieuw in gebreke. Duitsland had op meer steun gehoopt van de Gemeenschap ten aanzien van de instabiliteit in Oost-Europa. Niet alleen voor wat betreft de financiële hulp voelt het zich in de steek gelaten, ook op het terrein van de gezamenlijke buitenlandse politiek voelt het zich in de kou gezet. De Duitse aandrang om Kroatië en Slovenië te erkennen, wordt namelijk niet gezien als een "Alleingang', maar als een eerste stap naar een Europees Oost-Europabeleid. Het samen met Frankrijk opstellen van een lijstje met criteria voor de erkenning van nieuwe staten, zal het nieuwe instrument worden voor het scheppen van een nieuwe politieke orde in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. Dat de eis van zelfbeschikking voor beide Joegoslavische republieken geen oplossing brengt voor de Joegoslavische burgeroorlog, lijkt in de Duitse publieke opinie nauwelijks relevant; het recht op zelfbeschikking wordt beschouwd als een geruststellend politiek gebaar naar de hele Oosteuropese regio.

De Duitsers ervaren de houding van de overige lidstaten als onbegrip voor hun eigen positie. Duitsland heeft zijn best gedaan om in de pas te blijven lopen met de Europese integratie, maar krijgt hiervoor geen beloning. Naast Joegoslavië is het asielbeleid hiervan een goed voorbeeld. In Duitsland zelf staat het immigratieprobleem in het centrum van de belangstelling na de uitbarstingen van geweld tegen asielzoekers. Het is voor veel immigranten de poort naar het Westen. Maar het is voor het Duitse aanzien in Europa ongewenst om een scherper asielbeleid te voeren. Duitsland wil dan ook een Europese regeling voor het asielbeleid en heeft dit onderwerp met kracht naar voren gebracht in de onderhandelingen over de Europese Politieke Unie. De regeringen van de andere EG-lidstaten ondervinden echter eveneens veel kritiek op hun asielbeleid en achten het politiek onverstandig om na de grote problemen rond het Schengen-akkoord opnieuw een Europese regeling te treffen. De Duitsers moeten het zelf maar opknappen en ook hier voelen zij zich in de steek gelaten.

De Europese Gemeenschap zal moeten beseffen dat de sociaal-economische uitdaging van Oost-Europa en de Sovjet-Unie niet geëindigd is met de val van de Berlijnse Muur, maar eerder aan kracht zal toenemen. "Oost-Europa' zal dus een belangrijk onderwerp blijven op de agenda van de Gemeenschap. Vooral Duitsland (en in mindere mate Italië) ziet de instabiliteit als een reëel gevaar en wil een gezamenlijk optreden van de Gemeenschap op het terrein van de buitenlandse politiek (Joegoslavië), de asielpolitiek (immigrantenproblematiek) en verdergaande politieke en economische steun aan deze regio (financiële hulp en EG-lidmaatschap). Duitsland heeft geprobeerd de Gemeenschap te gebruiken als een substituut voor nationale "Ostpolitik'. Met het besluit van maandagnacht, waar de ministers van buitenlandse zaken van de Europese Gemeenschap hebben besloten de twee Joegoslavische deelrepublieken rond 15 januari 1992 te erkennen, is voorlopig een Duitse "Sonderweg' voorkomen. De blufdiplomatie van minister van buitenlandse zaken, Genscher leert dat als de Gemeenschap vaker in gebreke zal blijven ten aanzien van kwesties in Oost-Europa de kans op Duitse "Alleingänge' zal toenemen.

Foto: Vorige maand ontving de Duitse minister van buitenlandse zaken, Genscher de Russische president, Jeltsin in Slot Cecilienhof in Potsallieerden tot de Duitse deling werd besloten (foto Reuter)