Drukte in Bethlehem

Een kerstmis vol verhalen. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 25,-

Kerstklokje, klingelingeling. Uitg. Van Holkema & Warendorf. Prijs ƒ 24,90

Wim Hofman: De kerstreis. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 17,-

Jane Ray: Het kind in de kribbe. Uitg. Christofoor. Prijs ƒ 23,50

Nicholas Allan: Geen stille nacht. Uitg. Zirkoon. Prijs ƒ 14,95

Met kerstverhalen is het net als met de wasmiddelenreclame. Je kunt nog zoveel bezwaar hebben tegen "witter dan wit', toch hóórt een wasmiddel te worden aangeprezen door twee mevrouwen, die de reinheid van elkaars bloesjes en tafellakens becommentariëren. Zo hoort er in een kerstverhaal - hoe je je ook verzet tegen sentimentaliteit en onwaarschijnlijkheid - tot inkeer gekomen te worden of een daad gesteld. Er is verplicht gebrek aan iets - liefde, brood, kerstgevoel - en sneeuwstormen gieren voor eeuwig rondom een schamele hut. Het schrijven van een nieuw kerstverhaal, dat van deze tijd is en toch nog enigszins voldoet aan de genoemde conventie lijkt me een hele opgave. Al jarenlang duiken dan ook dezelfde vertellingen op in steeds wisselend gezelschap en bij steeds wisselende uitgevers. Gelijktijdig verschenen er nu twee nieuwe bundels, waarvoor bijna dertig Nederlandse kinderboekenschrijvers een bijdrage leverden.

In Een kerstmis vol verhalen - voor kinderen vanaf een jaar of acht - vertegenwoordigt Hedda Oosterhout het ene uiterste door te doen of de tijd stil heeft gestaan. De dorpskerk is gevuld met een harmonieorkest, een kerstspel en warme chocolademelk en over de bevroren weilanden dwalen drie kinderen rond, tot ze in een kille caravan een oude man met een jonge vrouw en een baby aantreffen. Het andere uiterste is Ted van Lieshout, die een soort cynisch cabaretnummer schreef. Twee kinderen ontfermen zich over een in het bos achtergelaten opa. Dat levert absurdistische toestanden op, geheel parallel aan het mee naar huis nemen van zielige beesten: “Toe mam, mag ik hem houden?” Mooi is Bart Moeyaert in een vertelling die de sfeer uit Bergmans Fanny en Alexander oproept. Een meisje verzint een prachtig stuk voor tussen de schuifdeuren en worstelt met de vraag of ze een gehate oude tante ook een rol zal gunnen.

Kerstklokje, klingelingeling is bedoeld voor jonge kinderen en maakt duidelijk dat het schrijven van een kort verhaal nog moeilijker wordt zodra het woordje kerst erin voor moet komen. De meeste auteurs blijven steken in de sfeertekening. Er wordt een kerstbaby geboren, goed gedaan aan een oude van dagen en hartstochtelijk naar sneeuw verlangd. In kleuterscholen knippen brave juffen lantaarntjes, draaien het bandje met liedjes nog maar eens om en wijden zich aan het kerstspel. De Wijzen uit het Oosten dragen puntschoenen en kromzwaarden en nemen voor het Kindeke drop en spekkies mee. De enige dwarsligger is Wim Hofmans engel, die in de takels boven de door de oudercommissie getimmerde kerststal zweeft en vervolgens door het dak in de kribbe stort. Met een kaakfractuur belandt hij in het ziekenhuis om daar kerstpap door een rietje te nuttigen. Een zelfde dwarse toon laat Hofman nog duidelijker doorklinken in De kerstreis, een zo lang uitgevallen verhaal dat het een apart boekje werd. Lusje en Fup voelen zich onpasselijk bij de gedachte aan bomen, lichtjes, Jingle Bells en bezoek. Ze tekenen een kaart en gaan op reis, achtervolgd door drie duistere types op de fiets. De inventarisatie van de kerstmisère is krachtig en lachwekkend, de reis even zinloos als de ontvluchte feestelijkheden.

Van het echte kerstverhaal volgens Lucas en Mattheüs verscheen de schitterende prentenboekuitgave Het kind in de kribbe. Jane Ray schilderde warm getinte, Oosters aandoende prenten, bezaaid met gouden spetters. De platen zijn vol vanwege het gedoe met die volkstelling, het wemelt van de vriendelijke beesten en de engelen suizen langs de hemel met klassieke verentoefjes aan hun blote voeten. Ray benadrukt de intimiteit en de huiselijkheid: mens en dier bij elkaar in de stal gekropen, alsof het eerste kerstdag is.

Niemand heeft zich natuurlijk ooit verplaatst in de gevoelens van de herbergier te Bethlehem. De hele nacht moet hij zijn bed uit voor gezeur aan zijn deur: een hoogzwangere vrouw, herders en koningen. En dan wordt hij nog uit zijn slaap gehouden door een verblindend licht buiten en gezang aan de hemel. Met een minimum aan woorden en cartoonachtige lijntjes zet Nicholas Allan in Geen stille nacht het volledige kerstverhaal neer, zonder dat één van de vertrouwde gebeurtenissen genoemd wordt. Dat is buitengewoon grappig, tenminste voor diegenen die de oorspronkelijke geschiedenis kennen.