Doek

HET OVERGESCHILDERDE meesterwerk van Barnett Newman is nu voor Wim Beeren opeens “een geliefde invalide”.

Zo noemde de directeur van het Stedelijk Museum het althans op de bijeenkomst die de Amsterdamse gemeenteraad heeft gewijd aan de falikant verkeerd uitgepakte restauratie van Newman's Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III. De raadscommissie is er in twee vergaderingen overigens niet uitgekomen en heeft de zaak verdaagd. Veel enthousiasme om een falend beleid aan te pakken spreekt niet uit deze gang van zaken.

De zaak Goldreyer is inmiddels ook in de politieke sferen beland, zeker nu de betrokken wethouder toegeeft dat zij in april al een alarmsignaal had gekregen. Of haar tactiek - eerst het schilderij terug en dan zien we wel - verstandig is, verdient inderdaad afzonderlijke bespreking. Maar hoe staat het met de directeur van het museum, die toch een rol van zelfstandige betekenis in dit soort aangelegenheden speelt?

BEEREN KLINKT heel hartroerend, maar in het woord invalide ligt wel de erkenning besloten dat er iets goed mis is met het gerestaureerde meesterwerk. Toch blijft Beeren volhouden “zorgvuldig” te hebben gehandeld. Eén blik op het contract dat hij met Goldreyer sloot, leert anders. Dat is een onbevredigend stuk. De minutieuze wijze waarop de reparatie van het beschadigde doek wordt geregeld steekt schril af bij de blancobepaling over het herstel van het eigenlijke kleurvlak. Juist toen dit aan de beurt kwam, liet de restauratiecommissie het bovendien praktisch afweten.

Beeren heeft achteraf dit gat proberen goed te praten met het argument dat het bij Newman ook niet zozeer om de schilderkunstige effecten gaat maar om het concept. Dat was kunsthistorisch niet zo sterk. En hoe moeten we dit nu rijmen met zijn allernieuwste kwalificatie: een invalide? Tot na het vernietigende rapport van het Gerechtelijk Laboratorium heeft Beeren het resultaat trouwens als "goed en bevredigend' verdedigd.

Een rammelend contract maakt het er voor de gemeente Amsterdam juridisch ook niet gemakkelijker op het weggegooide geld terug te krijgen. Gelukkig is er altijd nog een beroep mogelijk op algemene rechtsbepalingen zoals die over “verborgen gebreken” en op de professionele standaards van restaurateurs. Dat de directeur van een vooraanstaande kunstinstelling zich kennelijk niet beter van (juridisch) advies heeft voorzien in zo'n belangrijke aangelegenheid vormt in elk geval een brevet van onvermogen. Of het nu vette of magere alkyd is die eroverheen is gesmeerd.