Dirk van Weeldens alledaagse bestaan; Wat denkt een man die vier levens leidt?

Dirk van Weelden: Mobilhome. Uitg. De Bezige Bij, 210 blz. Prijs ƒ 29,50.

Het meest intrigerende personage dat Dirk van Weelden in zijn nieuwe roman Mobilhome opvoert, is wel de Fransman Eduard Buridan (1923-1964), oprichter en enige aanhanger van een obscuur strominkje: het topisme. De topist, zo wordt in het betreffende hoofdstuk uitgelegd, gaat uit van een bepaalde plek, of topos, waarbij een bepaald type leven hoort. De topist die Buridan was, en die in Parijs leefde, had aan één plek niet voldoende. Hij had er ten minste drie en leidde dus ook drie verschillende levens, als barkeeper, als stadskoerier en als gokker en drugsdealer. In die verschillende hoedanigheden was hij twee keer getrouwd en een keer vrijgezel, zonder dat de betrokkenen iets van elkaar wisten. Onder eigen naam hield hij voor zichzelf een catalogus met tekeningen en beschrijvingen van zijn levens bij, die pas na zijn dood door een notaris werd gevonden.

Of hij werkelijk geleefd heeft, deze wandelende alibicentrale, dat zou ik niet durven zeggen. Het lijkt me zeker niet onmogelijk, al kan Van Weelden hem evengoed uit zijn duim gezogen hebben. In elk geval leeft hij nú, in Mobilhome en ik zal hem niet gauw meer vergeten. Het moet vooral zijn raadselachtigheid zijn, die hem tot zo'n aantrekkelijk, maar tegelijk ook nogal afstotend personage maakt. Want wat denkt een man die vier levens leidt? Wat is precies de lol van zo'n uitputtingsslag? Hoe is het mogelijk dat hij al zijn identiteiten gescheiden weet te houden? Wat betekent liefde voor een man die drie huishoudens tegelijk voert? Allemaal onbeantwoorde vragen.

Zeker is wel dat deze Buridan met zijn performance-achtige en mysterieuze leven in Een cheque voor de tandarts (1967) van Bernlef en Schippers, een essaybundel over het nieuwe realisme, niet zou hebben misstaan. Hij behoort immers tot het mens- en kunstenaarstype dat er niet op uit is om bijzonder of kunstzinnig te zijn, maar dat zich nu eenmaal niet kan verzoenen met dat ene leven van alledag.

Dat is de rode draad in de roman: onvrede met het al te zichtbare, saaie en voorspelbare alledaagse bestaan. Ook in de vorm wordt hier geageerd tegen het voor de hand liggende. Mobilhome is bepaald geen traditionele roman, maar daar zal niemand van opkijken na Van Weeldens verrassende projecten in samenwerking met Martin Bril en na zijn breed uitwaaierende boek Tegenwoordigheid van geest. De roman bestaat uit zes min of meer losse episoden, die met elkaar verbonden worden door een overkoepelende filosofie. De roman besluit met een aan Baudelaire ontleende bijlage, die de al te ongedurige en reislustige mens zich ter harte zou moeten nemen.

Gids

De naamloze ikfiguur die in de roman optreedt, presenteert zich in een kort hoofdstukje, ”Informatie' getiteld, als gids. Hij zal ons leiden langs ”enkele bezienswaardigheden' in de eveneens naamloze stad waar hij woont, een havenstad ”aan de Atlantische Oceaan'. En zo bezoeken wij aan de hand van de gids in de vijf overige hoofdstukken het havenkwartier, het museum, het uitgaanscentrum, het kerkhof (waar Buridan begraven ligt) en een historisch pand. Bij alle bezienswaardigheden, waarover trouwens bijna niets wordt verteld, horen verhalen van of over mensen die vergeefs aan de alledaagse sleur proberen te onsnappen, zij het meestal niet zo drastisch als de topist Buridan. Hun gemeenschappelijke doel heet vrijheid. Een oude man zoekt zijn heil als prins-annex-haringvisser op een piepklein eilandje in zee, ver weg van de ”verdomde schapen', maar nog steeds narrig, terwijl zijn dochter rusteloos de wijde wereld verkent. De ene minnaar zoekt het in een monogame, maar spannende relatie, terwijl de andere de spanning juist zoekt in het overspel, maar beide minnaars ontbreekt het aan een beslissend inzicht. De kunsthistoricus die niet weet wat hij met zijn leven aanmoet, heeft besloten om als het ware op te gaan in één huiselijk doek. De verbitterde kunstschilder heeft op zijn beurt gekozen voor een merkwaardige werkwijze om aan de kunsthistorici te ontkomen: zijn eigenlijke kunstwerken verbergt hij onder kitscherige stadsgezichten. Zo smaakt hij het heimelijke, maar toch ook wat bittere genoegen van een weliswaar brede, maar onopgemerkt blijvende verspreiding. Niemand is echt tevreden over zijn leven. De een mist de dynamiek, de ander een rustpunt.

Mobilhome is te beschouwen als een vervolg op Tegenwoordigheid van geest dat, hoezeer ook anders uitgewerkt, toch in grote lijnen over hetzelfde ging: het onderzoeken van de mogelijkheden om meer uit het leven te halen dan de gemiddelde mens doet. Toen ging het, grof gezegd, om een optimale samenwerking tussen lichaam en geest. In deze roman gaat het om het verschil tussen ergens en nergens of, minder cryptisch, tussen het veilige, maar gezapige thuisfront en de geheimzinnige, lokkende rest van de wereld.

Mobilhome is een stuk toegankelijker, want minder abstract en filosofisch-technisch dan zijn voorganger en dat is een hele verademing. Ondanks het feit dat hier veel verschillende types aan het woord komen, is er toch een duidelijke eenheid van toon, die een scheppende hand verraadt. Een groot stilist is Van Weelden intussen nog steeds niet. Hij heeft een stroeve, afgemeten manier van schrijven, waarin het idee het meestal wint van de sappige anekdote en de verzamelaar van indrukken, essayistische invallen, gedachten en terloopse observaties weinig ruimte laat voor de soepele verteller. Van Weelden denkt veel en liefst in het groot en daar hebben de kleintjes nog wel eens onder te lijden. Geregeld ontsnapt hem een lelijke zin, van dit type: “De boodschap was duidelijk, ik was geen man van de wereld en omdat ik in dat opzicht te licht bevonden was, was ik er niet in geslaagd haar te verleiden.”

De tegenstelling waar de verschillende episodes om draaien, is steeds die tussen stilstand en beweging. Hoe geniet je van de veilige thuishaven zonder te verstarren? Hoe blijf je in beweging zonder helemaal op drift te raken? Het streven van de romanfiguren is erop gericht om die tegendelen te verzoenen, om te komen tot wat Van Weelden samenvat in het begrip ”mobilhome', een mal woord voor een grote kampeerauto. Deze mobilhome past goed in het toeristische kader van de roman, al moet hij ruim worden opgevat. ”Een verrijdbaar thuis', zo wordt hij ook wel genoemd, en ”een verplaatsbaar huishouden'. Alleen de schrijver, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk, is in staat om zo'n zinnebeeldige camper te bouwen ”en rollende te houden', omdat alleen hij met zijn bewegelijke geest bij stilstand en bij beweging gedijt. Erg verrassend zou ik dit slotakkoord niet willen noemen, maar Van Weelden heeft natuurlijk wel gelijk. Het is mooi dat een schrijver gewoon kan blijven zitten als hij uit een stad een hele wereld op wil laten rijzen.