Cresson ontwijkt met industriepolitiek de privatisering; "Huwelijk tussen karper en konijn'

PARIJS, 20 DEC. "Een huwelijk tussen een karper en een konijn'. Zo luidde de kop boven een analyse in een Franse krant over de nieuwe nationale onderneming die bestaat uit bedrijven die werkzaam zijn in sterk verschillende sectoren: civiele nucleaire energie, consumenten-elektronica, en semi-conductors. Thomson-CEA-Industries, zoals het nieuwe conglomeraat zal heten, is voor de Franse premier, Edith Cresson, een “montage die precies lijkt op wat sommige van onze concurrenten - zoals het Japanse Toshiba of het Duitse Siemens - hebben gedaan”. Maar volgens de meeste Franse deskundigen is het nieuwe model vooral een handige manier “om de verliezen van de een te compenseren met de winst van de ander”.

Thomson-CEA-Industries wordt gevormd door twee onderdelen van het nationale Thomson-concern toe te voegen aan het Commissariat d'Energie Atomique (CEA), een staatsholding die een groot aantal bedrijven controleert, met de reactorproducent Framatome als de belangrijkste. De "karper' CEA had vorig jaar een omzet van 30 miljard franc en behaalde een winst van 1,7 miljard franc. Het "konijn' bestaat uit Thomson Consumer Electronics (televisie) en Thomson-SGS, de chipsmaker die voor de helft eigendom is van de Italiaanse staatsholding IRI. Thomson Consumer Electronics leed vorig 2,7 miljard franc verlies en heeft tien miljard franc schuld. Thomson SGS heeft voor de komende twee jaar 2 à 3 miljard franc nodig om de moordende concurrentie met de Japanse en Amerikaanse chipsproducenten te kunnen overleven.

De Franse premier is altijd een groot pleitbezorger geweest van een krachtige industriële politiek. Bij haar aantreden in mei dit jaar riep ze van de daken dat de Franse industrie zich moet voorbereiden op 1993, het jaar dat de grenzen binnen de Europese Gemeenschap open gaan en de internationale concurrentie heviger zal worden. Cresson zag met gepaste jaloezie hoe in Duitsland Siemens en het machtige Daimler-concern zich gereed maakten om de grote Europese markt te veroveren, en hoe Japanse concerns, zoals Toshiba, wereldwijd opereren.

Thomson-CEA-Industries moet de “illustratie van de vitaliteit van de Franse openbare industriele sector” (Cresson) bewijzen. Maar de blauwdruk die de socialistische regering heeft ontworpen, lijkt vooral ingegeven door enkele praktische overwegingen.

De eerste is dat rechtstreekse staatssteun, in de vorm van subsidies of kapitaalsverhoging door de staat als grootaandeelhouder, niet langer door de Europese Commissie wordt getolereerd. Alleen staatsbanken als Crédit Lyonnais mogen deelnemen of deelnemingen uibreiden in holdings die rechtstreeks of indirect door de regering worden gecontroleerd. Zo accepteerde Brussel een kapitaalsinjectie van zes miljard franc van Crédit Lyonnais in de nationale staatproducent Usinor-Sacilor. Maar dergelijke "oplossingen' zijn niet altijd mogelijk.

De tweede praktische overweging is dat de meeste Europese concerns die daarvoor in aanmerking komen, niets of weinig voelen voor "strategische allianties' met Franse staatsbedrijven. Het "verbond' tussen Renault en het Zweedse Volvo is een uitzondering. In Parijs ziet men met lede ogen hoe Daimler zich associeert met Mitsubishi. Siemens noch Philips toonde zich gevoelig voor Franse pleidooien voor intensieve samenwerking met het Frans-Italiaanse Thomson-SGS. Siemens zoekt tot ongenoeg van Parijs liever samenwerking met de Amerikaanse concurrent IBM.

De derde overweging is dat een actieve - en protectionistische - industriepolitiek in de Europese Gemeenschap niet haalbaar is. De Franse minister van industrie Strauss-Kahn kreeg de afgelopen maanden met zijn voorstellen daarover geen voet aan de grond bij zijn EG-collega's. En ondanks de inspanningen van de Franse diplomatie leverde ook de top van Maastricht niet het in Parijs gewenste resultaat op. Wat in het Maastrichtse verdrag over de Politieke Unie over industriebeleid is vastgelegd, betekende een grote teleurstelling voor Parijs. Frankrijk realiseert zich bovendien dat EG-programma's als Esprit en Jessi in andere EG-landen in toenemende mate minder enthousiast worden beoordeeld. De Franse ondernemingen in "speerpunt-technologie' (computers, elektronica, chips) zijn gegeven hun kleine omvang en beperkte markten meer dan de meeste andere Europese concurrenten afhankelijk van dergelijke communautaire programma's om hun researchkosten te kunnen beperken.

Mevrouw Cresson hoopt met de vorming van Thomson-CEA-Industries een oplossing te hebben gevonden waarbij, zoals ze zei, “de stabiliteit van de civiele nucleaire industrie een tegenwicht vormt tegen de korte levenscyclus van elektronica-produkten en de sterke veranderingen op de elektronica-markt”. Of de nieuwe constructie in de ogen van de Europese Commissie aanvaardbaar is als een “moderne conceptie is van de rol van de staat als aandeelhouder” (minister van cultuur Jack Lang) moet worden afgewacht. Zeker is dat de Franse rechtse oppositie het nieuwe "mecano-nationalisme' van de socialistische regering hevig zal bestrijden met het sleutelwoord dat Cresson zorgvuldig uit de weg gaat: privatisering.