Ballotage

De kwestie is dat wij geïntroduceerd moeten worden. Drie handtekeningen hebben we nodig. We hebben de ledenlijst nu allebei al twee keer bestudeerd. Eerst dachten we, ach dat zal wel lukken. Mijn vrouw is hier geboren en getogen, zelf woon ik ook alweer bijna dertig jaar in deze stad. Het gaat maar om drie handtekeningen tenslotte. Wat zijn nou drie handtekeningen. Op zoveel honderd leden moeten er toch drie te vinden zijn die wij kennen! Maar kennen zij ons ook?

Aarzelend hebben we streepjes, rondjes en sterretjes gezet. En regelrechte vraagtekens. Want wat is kennen eigenlijk? Dat wordt wel een beetje de vraag, nu de oogst zo tegenvalt. Wij hebben de ledenlijst helemaal uit, en niet alleen getalsmatig is het een mager gezelschap geworden, ook introductoir, om eens een nieuw begrip in het leven te roepen, is het nogal twijfelachtig.

Wat hebben we hier eigenlijk bij elkaar? Een uitgever die ik wel ken - als het de uitgever is trouwens, eerst nog even checken -, maar die mij niet kent; nou ja, eigenlijk ken ik hem alleen maar van naam. Niet dus. Dan hebben we hier onze huisarts. Tja, 't is een aardige man, maar mag je van je huisarts verlangen dat hij jou plotseling als een door hem voorgestaan aspirantlid van zijn tennisvereniging wil gaan zien? 't Is toch geen recept zeker! Maar wacht eens, onze beide mede-adspirantclubleden Ha en Je: dat zijn vrienden van hem. Dat wil zeggen, hij is vroeger met Je geweest, en daar zouden we even aan kunnen herinneren. Hm. Zet maar op de reservelijst.

Dan heb ik hier een medelid van een leesgezelschap dat tweemaal 's jaars bijeenkomt, een goedgehumeurde geleerde, dat zit wel goed. Hèhè, eindelijk een. Maar nou moet ie wel thuis zijn, want wij hebben onze aanmelding veel te lang uitgesteld, en nu is het bijna te laat.

Hé, zie je dat, een overbuurvrouw. Welk huis zou dat zijn? Het hofje of ernaast. Een overbuurvrouw overhalen tot een handtekening, daar ziet mijn vrouw wel kans toe, meent zij. Daar zou ik nu weer voor terugdeinzen. Ik krijg mijn geleerde alsmaar niet te pakken. Waar zijn al die mensen toch, op de zondagmorgen? Of zou hij buitenslands zijn? Hij reist namelijk nogal veel, mijn geleerde. Weet je wat, ik bel het kloppend hart van het leesgezelschap even. Zeg, weet jij toevallig ook of Avezet buitenslands is? Ik probeer hem alsmaar te bereiken voor iets dringends en . . .

Was dat even een verstandig idee. Ik verneem dat hij niet zozeer buitenslands is als weg uit zijn huis. Ik krijg een telefoonnummer. Maar daar wordt ook niet opgenomen. Verdorie. Steeds sterker begin ik erover te denken om een van de schimmen op onze reservelijstjes aan te spreken - ach, wat kan mij het ook schelen. Vooruit, ik doe het gewoon. Ja, goedemorgen, ik zoek een Hein Zusenzo, die advocaat is en wel eens op de verjaardag van Wevebe komt . . . Herman, zegt u? Zou ook wel kunnen ja. Graag. En daar komt, geroepen door zijn vrouw, een advocaat die zich goddank herinnert hoe hij dertien jaar geleden op een verjaardag zo prachtig deed of hij Buikhuisen was, een destijds veelbesproken onderzoeker, vanwege het wekelijks door Hugo Brandt Corstius op hem uitgevoerde bombardement, en dat ik er intuinde. Geweldig, het is hem dus wel degelijk! Helaas is hij nog te kort lid, zelf, om al te mogen introduceren. Maar bij hem op kantoor zijn er nog een paar lid, en als ik hem nou morgen even op kantoor bel, dan - zo vordert de ochtend, de zonnige zondagochtend, deze zonnige van god gegeven zondagochtend waarop wij zo nodig geïntroduceerd willen worden, haastje-repje en op het nippertje, zoals alles in die propvolle en slecht georganiseerde levens van ons.

Wat doen al die mensen toch op zondagochtend, dat ze er alsmaar niet zijn? Nou ja, niet onredelijk worden, er zijn er genoeg thuis, maar die zijn al door hun handtekeningen heen. Mijn vrouw heeft net iemand gebeld wiens naam ze weer gekregen heeft van haar sterkste troef, een voormalige medecursist. En die staat nu op het punt haar op zijn beurt weer namen te gaan noemen, dat worden dus derdegraadsrecommandaties.

Maar dan is nu toch echt het moment gekomen om Evedejes te bellen. Categorie allerdunste potloodstreepjes. Ik breek door mijn laatste beschavingsvernis heen, niemand die mij nog tegenhoudt, mijn ambitie ligt nu helemaal bloot. Nog even en ik ben in staat om elk willekeurig geprikt lid ervan te overtuigen dat het mij kent. Evedejes, waarom ook niet. Waar gaat het nou helemaal om tenslotte! Nietwaar?

Ik hoor de telefoon overgaan, er wordt opgenomen, hij noemt zijn naam, en verdraaid nog aan toe, het is alsof de jaren wegvallen: precies dezelfde stem, hoe is het mogelijk! Evedejes is al die tijd mijn misschien wel meest latente reservist-introducent geweest. Zou hij nog weten dat ik, in 1957 of daaromtrent, schoolboeken van hem overnam? Een of twee klassen hoger zat hij. En er is nog meer! In het advocatenkantoor waar hij werkt, van advocaten moeten we het hebben, is namelijk meerdere malen vergaderd door mijn leesgezelschap, want een van de leden placht ons daar te ontvangen. Nou zeg, nee maar, dat is toch ruimschoots voldoende. Daar hang ik dus aan de telefoon, herken zijn stem, en ben al aan het bazelen over die overgenomen boeken en over zijn collega, als zijn gelijknamige zoon me erop wijst dat ik niet met zijn vader spreek - nee, allicht niet, als ie dezelfde stem heeft, maar dan ook precies dezelfde stem!, als iemand die bijna vijfendertig jaar geleden veertien of vijftien was. He ja, stom nu weer.

Maar wat ik eigenlijk vrees - dat hij, Evedejes, zich mij absoluut niet herinneren kan of, nog erger, dat hij me even monsteren zal, in de deuropening, en in mij direct de Jehova's getuige zal herkennen, of de man met tandenborstels, tapijten, kerstkaarten van mond- en voetschilders -, maar wat ik eigenlijk vrees, dat gebeurt tot mijn stomme verbazing helemaal niet, welnee, hij herinnert zich mij, en is zich al aan het verdiepen in het probleem! Het staat hem namelijk bij dat er vorig jaar iets was met vier handtekeningen, in plaats van drie, hij weet het niet meer precies, maar hij zal het bestuur bellen, en als ik hem morgen zo en zo laat dan nog even . . .

Thuis? Ja, thuis. Heel vriendelijk van hem! Ach, graag gedaan natuurlijk. Ik leg de telefoon weer neer. Ik kijk mijn vrouw aan. We zullen ze krijgen, die handtekeningen! Zie ons daar nou toch eens staan, bij dat telefoontoestel. Een godvergeten en vervaarlijk mensenpaar, kleine tennisrackets op de pupillen.