Arthur Rimbaud en Paul Verlaine: Obscene ...

Arthur Rimbaud en Paul Verlaine: Obscene Gedichten. Vert. Judith Mok. Uitg. Arena, 48 blz. Prijs ƒ 19,50 Marie Redonnet: Rose Melie Rose. Vert. Truus Boot, 144 blz. Uitg. Van Gennep, ƒ 29,50. Charles Baudelaire: Richard Wagner en Tannhäuser in Parijs. Vert. en nawoord Frans van Woerden. Uitg. Voetnoot. Prijs ƒ 29,90;

Charles Baudelaire: Richard Wagner en Tannhäuser in Parijs. Vert. en nawoord J.M. Loen. Uitg. Plantage. Prijs ƒ 26,50. Henri Troyat: Maupassant. Vert. Margreet Hirs. Uitg. De Prom. Prijs ƒ 35,-. Jean Echenoz: Meer. Vert. Mirjam de Veth en Truus Boot. Uitg. Ten Bosch en Van Oorschot. Prijs ƒ 32,50 en ƒ 45,00 (geb.) Marguerite Duras: Een dam tegen de grote oceaan. Vert. Jan Versteeg. Uitg. Van Gennep. Prijs ƒ 39,50.

De herdenking van de honderdste sterfdag van de Franse dichter Arthur Rimbaud heeft in Nederland nauwelijks interessante publikaties opgeleverd. Bij Arena verscheen een tweetalig gelegenheidsboekje met negen "obscene' gedichten - tweeënhalf gedicht van Rimbaud en zesenhalf van Verlaine. Met "obsceen' worden vooral de homo-erotische gedichten van Verlaine bedoeld die hij onder invloed van zijn stormachtige relatie met Rimbaud heeft geschreven. Rimbauds bescheiden aandeel bestaat uit het gedicht "Le Coeur supplicié', dat hij op zestienjarige leeftijd schreef, nadat hij van huis was weggelopen naar Parijs en daar een schokkende, nooit geheel opgehelderde ervaring - verkrachting, mishandeling? - had in een kazerne tijdens of vlak voor de Commune-opstand. Het gedicht is de neerslag van die vernedering en werd door Rimbaud als hartekreet aan zijn leermeester Izambard gestuurd. Deze nam het overigens niet serieus en verspeelde daarmee voor altijd Rimbauds achting. De andere twee gedichten - "Jeune goinfre' en "Sonnet van het aarsgat' - zijn respectievelijk een grappig niemendalletje en een parodie op het hoogdravende werk van de inmiddels vergeten Mérat, waarvan Verlaine acht regels en Rimbaud zes regels schreef. Beide teksten waren bestemd voor het Album Zutique. Kortom - het gaat om "obscene gedichten' van Verlaine, waar met veel moeite iets van Rimbaud is bijgezocht dat met het thema lijkt te stroken. Het geheel wordt vervolgens uiterst misleidend gepresenteerd. Op het stofomslag staat groot "Arthur Rimbaud', dan "Obscene Gedichten', en kleiner gedrukt "een keuze uit niet eerder vertaalde poëzie van Rimbaud en Verlaine' en tenslotte nog een reclameband met dikgedrukt: "tweetalige editie ter gelegenheid van Rimbauds honderdste sterfdag.'

Arthur Rimbaud en Paul Verlaine: Obscene Gedichten. Vert. Judith Mok. Uitg. Arena, 48 blz. Prijs ƒ 19,50

In Marie Redonnets derde roman, Rose Melie Rose, heerst weer de beklemmende sfeer van de droom of mythe die we uit haar eerdere boeken kennen. Verval, stilstand en herinneringen bepalen de stemming in de desolate stad waar het meisje Melie tussen haar twaalfde en zestiende kennis maakt met de mensenwereld. Tot dat moment heeft ze in volledige afzondering geleefd bij haar pleegmoeder Rose, die haar als pasgeboren baby in een grot in de rotsen heeft gevonden. Melie's relaas is het verslag van een zoektocht naar het verleden en van een initiatie, die wordt geregistreerd, compleet met polaroïdfoto's, in het "verhalenboek' dat de oude Rose voor haar dood aan Melie geeft. In zekere zin herhaalt Melie het leven van Rose. Zij zal de cirkel weer sluiten door terug te keren naar de grot met haar pasgeboren dochter Rose en het "verhalenboek'.

Als elke mythe of droom laat Melie's relaas ruimte voor allerlei interpretaties en associaties: de schrijfster die afdaalt in het verleden en haar ervaringen overdraagt aan de opvolgster die uit haar voortkomt of de vrouw als enige natuurlijke vernieuwende schakel in de kringloop van vergankelijkheid en hergeboorte in de natuur.

Redonnets grote kracht ligt in de knappe manier waarop zij, binnen dit moderne mythologische kader, met een minimum aan middelen een beklemmende poëtische droomwereld weet te creëren die even tastbaar is als die in vroege schilderijen van Carel Willink.

Marie Redonnet: Rose Melie Rose. Vert. Truus Boot, 144 blz. Uitg. Van Gennep, ƒ 29,50.

Als Wagner begin 1860 zijn eerste concert in de Salle des Italiens in Parijs dirigeert, zit in de zaal de man die zijn meest flamboyante verdediger in Frankrijk zal worden: Charles Baudelaire. Onmiddellijk is Baudelaire zo tot in het diepst van zijn ziel geroerd en gegrepen door Wagners muziek, dat hij de componist een lange bewonderende brief schrijft - “de muziek scheen uit mijzelf voort te komen en ik herkende haar zoals ieder mens de dingen herkent die hij voorbestemd is te beminnen”. Het jaar daarop wordt de première van Tannhäuser in de Opéra, na een hetze in de pers, een regelrecht schandaal. Leden van de Jockeyclub, een club voor jonge, aristocratische dandy's, verhinderen met geschreeuw en schril gefluit dat de muziek zelfs maar te horen is. De voorstelling eindigt in een onbeschrijflijk tumult. Nu raakt Baudelaire werkelijk in zijn element. Hij heeft zich zo sterk met de meester geïdentificeerd, dat hij deze terreur bijna als een persoonlijke aanval ervaart. Het resultaat is een reeks magistrale artikelen waarin hij beurtelings snierend en honend de vloer aanveegt met het Franse "publiek van bootwerkers' - altijd al een van zijn favoriete thema's - en meesterlijk beschrijft en analyseert wat hem zo mateloos boeit in Wagners muziek.

Hartstochtelijk neemt hij het op voor "de muziek van de toekomst', die niet voor mensen die "alleen digestief plezier, en geen nummertje hersengymnastiek' kunnen verdragen, maar alleen voor ware kunstliefhebbers is bedoeld.

Van deze reeks nooit vertaalde artikelen zijn nu, merkwaardig genoeg, tegelijkertijd twee verschillende vertalingen verschenen. De ene in het kader van het Baudelaire-project van uitgeverij Voetnoot, waarin minder bekende teksten uit de Curiosités esthétiques verschijnen, de andere bij uitgeverij Plantage, die zich onder meer in teksten over muziek specialiseert. In een vergelijking van beide vertalingen moet een boeiende scriptie voor een student-vertaalwetenschappen schuilen.

Charles Baudelaire: Richard Wagner en Tannhäuser in Parijs. Vert. en nawoord Frans van Woerden. Uitg. Voetnoot. Prijs ƒ 29,90;

Charles Baudelaire: Richard Wagner en Tannhäuser in Parijs. Vert. en nawoord J.M. Loen. Uitg. Plantage. Prijs ƒ 26,50.

“Met open ogen en als een hongerige mond verslind ik de aarde en de hemel”, liet Guy de Maupassant een van zijn personages zeggen en vatte zo zijn eigen leven treffend samen. Uit de nieuwe Maupassant-biografie van Henri Troyat komt het beeld naar voren van een man met een onverzadigbare honger naar steeds nieuwe ervaringen. In koortsachtig tempo jaagt hij van boek naar boek, van vrouw naar vrouw en van plek naar plek. Zijn start in de literaire wereld werd vergemakkelijkt door Flaubert, een jeugdvriend van zijn moeder, die hem met raad en daad terzijde stond. Binnen elf jaar schrijft Maupassant 260 novellen, zes romans, drie reisboeken en twee toneelstukken die in grote oplagen verschijnen en hem tot de populairste en vermoedelijk rijkste schrijver van Frankrijk maakten. Aan deze explosieve bloeiperiode komt een abrupt einde, als zijn door syfilis aangetaste hersenen doldraaien, hetgeen eerst tot grootheidswaanzin, dan tot seniliteit en een veel te vroege dood leidt.

Troyat baseert zich vooral op Maupassants eigen brieven en op documenten van tijdgenoten. Daarbij speelt het Journal van Edmond de Goncourt een belangrijke rol. Goncourt was zeker bevooroordeeld, onder meer door persoonlijke rivaliteit op amoureus gebied en professionele jaloezie. Toch vertolkt hij waarschijnlijk de algemene reactie van de verfijnde Parijse literaire wereld op de door watersport en seks geobsedeerde successchrijver: een vreemde, provinciaalse, onbehouwen eend in de bijt die de grootste brokken wegkaapt.

Hoewel Troyats smakelijke biografie zowel op psychologisch vlak als op literair gebied nogal wat vragen openlaat, is het een aantrekkelijke inleiding in leven en werk van Guy de Maupassant.

Henri Troyat: Maupassant. Vert. Margreet Hirs. Uitg. De Prom. Prijs ƒ 35,-.

Na de golf van publiciteit die eind vorig jaar volgde op de toekenning van de eerste Europese literatuurprijs aan Jean Echenoz voor zijn roman Lac is het verschijnen van de Nederlandse vertaling van het boek enige maanden later vrijwel onopgemerkt voorbijgegaan. Dat is om verschillende redenen jammer. Om te beginnen is het de eerste vertaling van een opmerkelijke schrijver die tot nu toe in Nederland zo goed als onbekend was. Verder is Meer een van de eerste titels in de nieuwe reeks "fb' - een serie waarin zo'n zes goede vertalingen van hoogwaardige moderne Franse literatuur per jaar zullen verschijnen. En tenslotte blijft het simpele feit dat een Nederlandse vertaling voor een groter publiek toegankelijker is dan de oorspronkelijke Franse roman.

Meer lijkt op het eerste gezicht een spannende, wat ironische spionageroman volgens Angelsaksisch recept. Via kleine absurde gegevens dringt langzaam tot de lezer door dat het om een virtuoze persiflage of pastiche op het genre moet gaan. Vanaf dat moment speelt het verhaal op verschillende niveaus: de "gemakkelijke' spanning van de eerste laag loopt door, maar tegelijkertijd komt daarbij een ander soort spanning. Het buitengewoon knappe en onderhoudende spel met de verschillende realiteitsniveaus zet de lezer aan het denken over het schrijven van fictie.

Jean Echenoz: Meer. Vert. Mirjam de Veth en Truus Boot. Uitg. Ten Bosch en Van Oorschot. Prijs ƒ 32,50 en ƒ 45,00 (geb.)

Een dam tegen de grote oceaan uit 1950 is een van Duras' eerste grote romans en speelt in het Indochina van haar jeugd. Het is het verhaal van de verbitterde strijd die een arme blanke onderwijzeres voert tegen het zoute water van de oceaan dat jaarlijks haar rijstoogst vernielt en tegen de mensonterende corruptie van het koloniale bestuur. Jaren heeft zij gespaard om een landconcessie te kunnen kopen, die waardeloos blijkt omdat zij het gebruikelijke smeergeld achterwege heeft gelaten. Ze legt zich niet bij haar mislukking neer. Tegen het water probeert zij dijken op te werpen en de corrupte ambtenaren gaat zij met brieven te lijf. Haar twee opgroeiende kinderen, de onberekenbare Joseph en de broeierige Suzanne, haten de troosteloze vlakte, maar lijken al aangetast door de allesverlammende apathie die er heerst. Hun gezichtsveld is zo beperkt geraakt, dat zij de onverzettelijkheid van hun moeder niet meer kunnen opbrengen.

Het is een magistrale, intens ontroerende roman van een groot schrijfster. Verbazend is alleen dat het boek ruim veertig jaar op vertaling heeft moeten wachten.

Marguerite Duras: Een dam tegen de grote oceaan. Vert. Jan Versteeg. Uitg. Van Gennep. Prijs ƒ 39,50.