Anton Korteweg over de ambtenaar, de dichter en God; Gedichten zijn als potloodslijpsel

De vader, echtgenoot en ambtenaar die voorkomt in de gedichten van Anton Korteweg lijkt veel op de dichter zelf. Maar: “Sinds wanneer zijn de ik en de dichter dezelfde?” Voor Korteweg, die overdag directeur is van het Letterkundig Museum, is dichten vooral een manier om met zichzelf in gesprek te blijven. Onlangs verscheen zijn achtste bundel, Stand van Zaken, waarin hij opnieuw het leven met opgewekte zwartgalligheid bekijkt.

Anton Korteweg: Stand van zaken. Uitg. Meulenhoff, 54 blz. Prijs ƒ 29,50 Binnenkort verschijnt de bloemlezing schilderijgedichten: Een engel zingend achter een pilaar. Uitg. SDU. Prijs ƒ 44,50

“Het wil mij maar aan niets ontbreken,” dichtte Anton Korteweg. Zo is het. Hij heeft een goede baan (directeur van het Letterkundig Museum), een lieve vrouw en twee aardige kinderen. Hij woont in een fijn huis in Leiden en op de fiets onderweg naar zijn werk ziet hij soms heel bijzondere dingen. Geen wonder dat aan zijn pen gedichten ontsnappen als het volgende:

Dankbaar

Een lieve vrouw, een mooie baan, prachtig huis.

'k Dank U hartgrondig voor die gunstbewijzen.

Ook voor mijn snelle fiets, met inbegrip

van niet te demonteren kinderzit.

“In de praktijk ben ik een opgewekt type hoor,” zegt hij in zijn enorme, neonverlichte werkkamer met uitzicht op tramrails en hoogbouw, “dat zou je misschien aan mijn gedichten niet zeggen.”

Anton Korteweg (1944) vulde nu al acht bundels met een ironisch zwartgallige kijk op het leven. Eindeloos weet hij te variëren op de benauwenis van het huiselijk geluk, de verstikkende regelmaat van de baan, de onmogelijkheid om eens helemaal los van zichzelf te raken, het verlangen naar de geborgenheid van vroeger. In zijn vroegste werk was de taal vaak bijbels waardoor hij zowel de nabijheid als de afstand tot een streng gereformeerde jeugd kon uitdrukken.

“Ik was helemaal niet streng gereformeerd,” zegt Korteweg. “Dat denkt iedereen altijd omdat ze die gedichten letterlijk nemen. Wij waren "hervormd op grote wielen' zoals Maarten 't Hart dat zou noemen. Ik heb de sfeer van de boerderij van mijn streng gelovige grootvader als een stolp over ons gezin geplaatst, omdat ik het vaak voor het effect beter vond om het over mijzelf en mijn ouders te hebben dan over mijn grootouders. Gedichten moeten toch ook een zeker effect veroorzaken, daarvoor mag je de waarheid best wat geweld aandoen.”

Zijn gedichten maken een buitengewoon autobiografische indruk. Uit de eerste drie bundels waarin veel gedichten staan over de jeugd, het opgroeien, de familieleden, het geloof, de eerste baan als leraar, stelde de dichter in 1988 een bloemlezing samen onder de titel Dierbare tijden. De flaptekst vermeldt: “de gedichten zijn zodanig gerangschikt dat een samenhangende levensbeschrijving is ontstaan van een calvinistische romanticus die zich ontwikkelt van knaap tot man.” Als de flap dat zo zegt is het geen wonder dat de lezers dat allemaal voor de waarheid houden.

Korteweg lacht schuldbewust maar redt zich er onmiddellijk uit: “Op hoger niveau is het ook een levensbeschrijving. Alleen de feiten kloppen niet helemaal. Ik heb overigens wel veel met die gereformeerde sfeer van "Rust roest'. De kern van die gedichten ligt toch heel dicht bij mijzelf. Dat moet ook, anders is het niet authentiek wat je schrijft. Maar je kunt best eerlijk zijn en toch iets veranderen. In mijn laatste bundel schrijf ik bijvoorbeeld dat mijn vader al lang dood is, maar die man leeft gewoon nog. Ik vind dat dat best kan.”

Schilderijgedichten

Korteweg studeerde Nederlands en was dus toen hij begon te dichten "zijn onschuld kwijt': hij wist heel goed dat gedichten niet zo maar gevoelsuitstortingen zijn en dat vorm en techniek een groot deel van de overtuigingskracht uitmaken. Bij het samenstellen van zijn binnenkort te verschijnen bloemlezing van schilderijgedichten viel het hem ook weer op: veel dichters nemen een loopje met wat eigenlijk het geval is.

“Je ziet dat dichters dingen beweren die helemaal niet te zien zijn of dat ze iets dat prominent aanwezig is ijskoud weglaten. C.O. Jellema laat bijvoorbeeld op een schilderij van Ruisdael een jachthond voorkomen die er helemaal niet is. En Ida Gerhardt verdonkeremaant juist weer een hond als zij "De bedreigde zwaan' van Asselijn bedicht, zij doet net of die zwaan door mensen wordt aangevallen. Je hoeft je helemaal niet aan het beeld te houden - als het maar een goed gedicht wordt. Hoewel, als iemand zou beweren dat hij een helikopter op de Nachtwacht zag... Zelfs dan heb ik toch het idee dat het eigenlijk zou mogen. Maar om met Paulus te spreken "Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig'.”

Ook al liegt Korteweg er dus op los, het kost een lezer van zijn poëzie moeite om hem niet volledig te vereenzelvigen met de ik-persoon uit zijn gedichten. Die heeft dan ook niet weinig gemeenschappelijk met de dichter: dezelfde baan, dezelfde woonplaats, dezelfde leeftijd, net zo lang getrouwd, twee kinderen van dezelfde leeftijd als die van Korteweg - hij doet wel moeite om de schijn van uiterste oprechtheid te wekken. Vaak hoort hij van lezers dat zij medelijden hebben met zijn vrouw. Dat komt dan door gedichten als:

Goed

Goed, je regelt wat, hebt je voorzien

van vrouw, zoon en dochter, in

deze volgorde, je een huis gebouwd,

carrière gemaakt en hoort bij van alles.

Lopend door de natte bladeren

denk je aan alle dode takken in

je leven. Thuis wacht de afwas, is het

niet meer dan één keer per week.

“Ach,” zegt hij, “ik zeg gewoon: ik ben dat niet, en dat moeten ze dan maar geloven. Sinds wanneer zijn de ik en de dichter dezelfde?

“Natuurlijk besef ik wel dat ik de discussie uit de weg ga als ik dat zeg, ook al heb ik formeel gelijk. Want vanzelfsprekend liggen die gedichten dicht bij mijn eigen leven. Ik zou niet gauw iets echt helemaal verzinnen. Gedichten zijn als potloodslijpsel: het afval van je leven en werk. Andere dichters schrijven over een vogel of een regendruppel als ze iets over zichzelf en de wereld willen zeggen. Bij mij is de omweg niet zo groot.

“Ik heb me eigenlijk nooit afgevraagd, dat is misschien naïef, waarom ik zoveel in de ik-vorm, of de jij-vorm schrijf. Ik vraag me per gedicht wel dingen af, over binnenrijm, metrum, regellengte, maar ik denk nooit na over het hele oeuvre. Ik wil me er ook niet in verdiepen.”

De dichter heeft een zekere gêne om recensies over zijn eigen werk te lezen. Niet dat hij niet dankbaar is dat men over hem schrijft, dat wel, zeker, men is er tenslotte beslist niet toe verplicht. Maar allerlei dingen over zichzelf te lezen in andermans taal, nog verbonden met een oordeel bovendien, het maakt hem ongemakkelijk.

“Ik schrijf in mijn gedichten van alles op, ook over mezelf, wat ik niet makkelijk zou zeggen. Je vindt dan bijna dat andere mensen zich er niet mee moeten bemoeien - paradoxaal natuurlijk, want waarom schrijf ik het dan op? Ik doe het niet als een vorm van zelftherapie, maar ik beschouw het wel als een manier om met mezelf in gesprek te blijven, waarbij ik mezelf het genoegen doe om wat ik dacht een afgeronde vorm te geven. Poëzie is voor mij een vorm van zelfbegeleiding, om maar eens een raar woord te gebruiken.”

In zijn gedichten is Korteweg vaak letterlijk met zichzelf in gesprek, in de latere bundels steeds meer. De ene ik doet een stapje terug om de andere aan het woord te laten. Dat levert gedichten op als "In den vreemde', waarvan de eerste regels luiden: Den Haag. Ik voel me er zo ver van huis,- dat ik me wel een brief zou willen schrijven.- Hoe gaat het met me, daar? Eerlijk gezegd- niet goed. Als je geen afstand kunt nemen tot jezelf kun je geen poëzie schrijven, meent Korteweg.

Vaak ook wordt er tegen een "je' aangepraat, die soms een geliefde is, soms de dichter zelf, dikwijls ook God, met wie hij op vertrouwelijke voet lijkt te staan. Hij moppert en zucht tegen Hem, verlangt ook vaak en hevig naar thuiskomst en redding, wijst dat op andere momenten weer krachtig van de hand. Een mooi voorbeeld van die halfslachtige verstandhouding is "Non cantat' (uit: Voor de goede orde)

Nog mompelt soms in me om dat ik

toch op je hopen blijf, dat je

me van mijn pijn verlost. Wat

akelig is want hoe lang al.

Toen, op de harde banken nog, joeg

hoofd wat hart naar buiten wou

terug en sloeg het neer al - het

bleef daar maar gisten. Dat

elke schrede me zwaar viel, je

me maar meenemen moest naar

waar je ook ging, je zachte glans me

doordringen - mij heb je dat nooit

horen zingen. Dat niet en niks.

Doe dan eindelijk eens me hardop je

roepen, met mijn stem: naar

je intocht, je eeuwige stranden, such

stuff, vader. Gekomen hoeft er niet maar

er moet niet dat mompelen in mij.

“Ja dat gedicht, ik zeg daar, of nee, laat ik het nu goed doen: de ik in dat gedicht zegt: ik zong vroeger al die mooie liederen niet waarin er sprake was van "meenemen' en "uw zachte glans' want ik was te geremd. Maar ik zou dat eigenlijk wel willen zingen, uit volle borst, dat is dat "hardop roepen'. Ik zit niet te wachten op de Verlosser, maar ik zou liever niet zo'n introverte mompelaar zijn. Door de je-vorm wordt het heel vertrouwelijk.

“Ik zou van mezelf niet zeggen dat ik gelovig ben. Ik heb alleen soms de behoefte om tegen niets te praten dat toch iemand is.”

Hij schrikt zelf een beetje van deze uitspraak en vermoedt dat het een zin is die niets betekent. Bij de vraag naar wat hij toch bedoelt met het woord "redden' dat nogal eens opduikt in zijn gedichten, begint hij ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven. Of het noodzakelijk is dat hij dat precies weet? Dat hoeven dichters toch niet te weten? Toch blijkt hij er iets over te kunnen zeggen:

“Gered worden lijkt soms aantrekkelijk maar het heeft ook iets vernederends. Dat schrijf ik bij voorbeeld in het gedicht "Zoek', waarin ik me afzet tegen het idee dat ik een schaapje van de kudde zou zijn dat teruggedragen kon worden door de goede herder. Dat eindigt met de regels: “Spaar mij de ontferming van- die reddende armen van jou.”

“In andere gedichten wil ik het weer wel. Gered worden, dat is een metafoor voor met jezelf samenvallen, dat je dan wordt wie je in wezen bent. Dat gebeurt bij de dood, stel ik me voor. "Zie je niet langer je- buitenst gezicht, maar- achter je ogen, even.' Je valt dan samen met je oorsprong.”

Overgave

Het heeft er soms de schijn van dat hij verlangt naar de totale overgave aan iets groters. Dat eindelijk de strijd eens op zou kunnen houden tussen verlangen naar vrijheid en de angst ervoor. Zou hij het liefst wèl gelovig willen zijn?

“Dat zou ik nooit zo zeggen. Ik kan dat niet zeggen, want ik ben het niet. Je kunt je wel zo'n mooi geloof voorstellen, zoals dat van Rilke in zijn gedicht "Herbst': Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.- Und sieh dir andre an: es ist in allen.-- Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen- unendlich sanft in seinen Händen hält. Dat alles uiteindelijk in één hand terecht komt, dat er niets verloren gaat - ik denk dat iedereen wel zou willen dat het zo was. Als je dat kon geloven, ja, dan was je gered.

“Maar het moet nu niet lijken dat ik diepzinniger ben dan ik ben want ik ben heel oppervlakkig. Ik denk over deze dingen weinig na. Ik wek alleen in die gedichten soms de schijn dat ik dat wel doe. Als je echt diepzinnig was dan dacht je altijd over zulke dingen.”

Zijn bundels wil hij ook niet te zwaar hebben. Als tegenwicht tegen wat ernstig is doet hij er graag een flink plat gedichtje in. Grinnikend wijst hij er een aan, het kwatrijntje "Feest', waarin de dichter door de Hema loopt en overpeinst: "Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw- dan wil je wel naar huis. Naar die van jou.' Ja dat is heel grof vindt hij zelf ook. Maar die vorm, het kwatrijn, die bevalt hem wel. Een kwatrijn is beknopt, je moet kernachtig een gevoel overbrengen, in vier regels kun je niet gaan ouwehoeren. En dat is iets waar hij misschien soms wel voor op moet passen, hoewel, ach, dat moeten anderen maar zeggen. Hij heeft die vorm overgenomen van de Chinese poëzie, uit de tijd dat hij zich soms bemoeide met de vertalingen van zijn vriend Wilt Idema, die bezig was de Spiegel van de Chinese poëzie samen te stellen. Het zegt hem veel, die oude Chinezen, die hadden het toch ook voornamelijk over vaderland, God en huisgezin, net als hij zelf.

Buiten is het allang donker geworden, binnen staan kopjes koude koffie in het tl-licht. Een grote maquette van Frederik van Eedens kolonie Walden herinnert eraan dat we in het Letterkundig Museum zitten. Maakt dat nu veel verschil voor een dichter, om zelf de behoeder te zijn van zo veel andere dichters?

“Mijn werk heeft weinig met poëzie te maken. Ik regel hier alleen maar dingen. Het is wel een baan waarbij je veel contact hebt met schrijvers, maar niet zo heel veel met hun werk. Ik kan bij voorbeeld niet de nagelaten gedichten van Vestdijk gaan uitgeven. Daar ben ik hier niet voor.”

In zijn gedichten laat hij zich niet altijd even enthousiast uit over de manier waarop hij zijn dagen doorbrengt. Een gedicht als het volgende is beslist geen uitzondering.

Toehoorder

Er hoort een oor dat het niet langer kan

Heer voorzitter, ben ik het of een ander

die spreekt? Zegt U het maar. Graag had

ik inderdaad meer bloemen op mijn pad.

“Iedereen vindt het toch vervelend dat je carrière moet maken. Ik denk dat alle mensen liever zouden willen gaan tennissen of vissen, of naar "het land van beechen green and shadows numberless' zouden willen verdwijnen. Ik vind dit geen vervelend werk maar je ziet jezelf soms zo bezig. Ik laat me er vaak kritisch over uit omdat ik een soort on-taal moet gebruiken in ambtelijke stukken en brieven. Mijn ene kant is dichter, maar de andere kant is een ambtenaar met een meer dan volledige baan. Die tweespalt veroorzaakt juist die poëzie.”

Niet dat poëzie het allemaal zo veel beter maakt. Zijn laatste bundel eindigt met een gedicht dat reageert op een paar regels van de dichteres Marianne Moore: I, too, dislike it.- Reading it, however, with a perfect contempt for it, one- discovers in it, after all, a place for the genuine. Heeft Moore dus nog een goed woord over voor dit verafschuwde genre, Korteweg brengt zelfs dat niet op.

Poëzie

Toch hou ik er niet van, Marianne. Zelfs als

't iets zijn zou waar het echte niettemin

als je het schrijft met een volmaakte tegenzin

stralend uit oplicht - wie wordt er gelukkig van?

“Ik vind gedichten schrijven absoluut geen onzin hoor,” zegt hij nadat hij het heeft voorgelezen.