ANDRIES DIRK COPIER 1901 - 1991; Aan glas verslingerd

Meer dan zeventig jaar heeft de gisterochtend in zijn woonplaats Wassenaar overleden Andries Dirk Copier zijn hoogstpersoonlijke stempel gedrukt op de Nederlandse en internationale glaskunst.

Copier is bijna zijn gehele leven, vanaf zijn dertiende jaar toen hij bij zijn vader, die hoofd was van de etsafdeling van de Glasfabriek Leerdam, ging werken, tot zeer kort voor zijn dood gefascineerd gebleven door de mogelijkheden van het glas, mogelijkheden die hij als geen ander heeft onderzocht en uitgebouwd. Die fascinatie en experimenteerlust hebben geresulteerd in een bijna ononderbroken stroom van gebruiksglas en unica. Zèlf zei Copier in een kranteartikel uit 1969: “Er is geen huis waar niet een of ander ding van mij staat.”

Wat Copier nog zo nonchalant in de categorie ”ding' rangschikte, behoort al lang tot het dierbaarste particuliere kunstbezit van veel glascollectioneurs. Op veilingen en in de kunsthandel brengt ook het vroege, industriële werk uit de jaren twintig en dertig veelvouden van de oorspronkelijke prijs op. De helgekleurde vierkante cactuspotten, de glazen en bijpassende karaffen in poëtische kleuren als meerblauw en rouwpaars, de vazen, dikwijls speciaal voor één soort bloem ontworpen en de zeldzame flacon voor Talens-inkt hebben de status van verzamelobject gekregen. Op één uitzondering na: de Gilde-glazen, wel eens de oervormen van het wijnglas genoemd en in 1930 vormgegeven, zijn nog altijd voor een schappelijke prijs in dozen van zes stuks overal te krijgen.

Achter iedere geslaagde industriële vormgever staat een ondernemer met visie. En Copier had destijds het geluk in de algemeen directeur van de Leerdamse fabriek, P. M. Cochius, een inspirator te treffen met idealisme én zakelijk inzicht.

Cochius - theosoof, vrijmetselaar en leider van de Prakties Idealisten Associatie (de adjectieven van deze roemruchte bond lijken met elkaar in tegenspraak) - verfoeide het negentiende-eeuwse persglas dat met allerlei decoraties zonder veel succes het kostbare geslepen kristal moest nabootsen. Cochius wenste in Leerdam een soberder, goed ontworpen produkt te maken dat ook minder draagkrachtigen konden betalen. Zo'n verantwoord gebruiksvoorwerp zou dan het schoonheidsgevoel moeten ontwikkelen en daarmee zou, in één moeite door, de gehele maatschappij aan harmonie winnen. Voor de verwezenlijking van dit optimistische programma nodigde Cochius in 1915 archtitect De Bazel uit als incidenteel vormgever. Ook De Lorm en Lanooy verleenden later af en toe hun medewerking.

Liever dan die gast-kunstenaars wilde Cochius een ontwerper in vaste dienst aanstellen. Dat werd Copier. Hij werd onder de hoede gesteld van de grafische vormgever van de fabriek, Jac. Jongert, en mocht voor rekening van het bedrijf lessen aan de Rotterdamse kunstacademie volgen. In 1923 kreeg Copier de esthetische supervisie over het fabrieksglas. In datzelfde jaar nam Leerdam het eerste Copier-glasservies in produktie, achttien blanke glazen en karaffen, geïnspireerd op de kelk van de Smeerwortel. De karaffen hebben de omgekeerde vorm van de glazen, wat het servies tot een eenheid maakt. Op de prestigieuze Parijse tentoonstelling in 1925, de Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes, behaalde Copier met zijn model-Smeerwortel een zilveren medaille.

Omstreeks deze tijd begon Copier ook met zijn Unica-experimenten. De technologische ervaringen hiermee opgedaan kwamen weer ten goede aan het industriële procédé en bovendien zorgde de appreciatie voor dit ”vrije' glas voor een grotere bekendheid van het seriewerk.

Langhalzige flessen in de ijsglastechniek (waarbij de hete glasblaas in een bak koud water ”schrikt' en in een grillig patroon barst) en kalebasvormige schalen met subtiele verticale ribben en dat alles in de schitterendste kleuren of in blank, iriserend glas, hebben Copier voor eens en voor altijd grote internationale erkenning bezorgd.

In 1943 nam Copier het initiatief een glasschool op te richten die nauw verbonden was aan de fabriek. De school telde onder meer Willem Heesen en Floris Meydam tot zijn leerlingen.

In het atelier van Willem Heesen in Acquoy begon Copier in 1977, dus al bijna tachtig jaar, een nieuwe fase in zijn lange loopbaan. In nauwe samenwerking met meester-glasblazers ontstonden daar ”vrije' komvormen met horizontale kleurbanden of op de Noordzee geïnspireerde blauwe vlekken en lagen.

Reizen naar Amerika, Finland, Italië en Tsjechoslowakije volgden. Steeds voor korte perioden verbleef de onvermoeibare Copier in het atelier van bevriende glaskunstenaars om met de daar aanwezige glasblazers in hun vaak van vader op zoon overgeleverde technieken met het materiaal te experimenteren.

Het vrije werk uit die laatste jaren is daardoor nogal heterogeen van karakter. De massieve, zware en pretentieuze unica die in Amerika zijn ontstaan, verschillen sterk van de veel ijlere, lichte objecten uit het Italiaanse Murano. De objecten die hier zijn gemaakt, hebben de luchtigheid van zeepbellen behouden.

Maar bij al hun verscheidenheid blijven ook de recentere objecten echte ”Copiers'. In hun vitale vormen en in hun gedurfde kleurencombinaties vermaterialiseren zij de ideeën en gedachten van een aan glas verslingerde kunstenaar.