VS tevreden met beloftes over Sovjet-kernwapens

BRUSSEL, 19 DEC. Tijdens zijn bezoek aan de vier republieken van de Sovjet-Unie waar strategische kernraketten staan opgesteld heeft de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, “zeer zeer vaste verzekeringen” gekregen wat betreft de controle over die kernwapens.

Baker heeft dat vanmorgen gezegd aan de ministers van buitenlandse zaken van de landen van de NAVO, die vanmorgen in Brussel begonnen zijn aan hun reguliere herfstzitting. De bijeenkomst van vandaag wordt morgen gevolgd door de eerste zitting van de NACC, de Noordatlantische samenwerkingsraad, waar ook de lid-staten van het voormalige Warschau Pact vertegenwoordigd zullen zijn.

In zijn verslag over het bezoek dat hij de afgelopen dagen aan de Sovjet-Unie heeft gebracht, zei Baker dat hij “zeer tevreden” was over de besprekingen die hij in de vier republieken waar strategische kernwapens staan opgesteld - Rusland, de Oekraïne, Wit-Rusland en Kazachstan - heeft gevoerd over het probleem van de kernwapens.

Baker heeft vanmorgen ook voorstellen gedaan voor het inzetten van het “aanzienlijke logistieke potentieel” van de NAVO voor de distributie van humanitaire hulp aan de Sovjet-Unie. Verzet tegen een dergelijke operatie is echter te verwachten van Frankrijk, dat gekant is tegen iedere NAVO-actie die buiten het directe mandaat van het bondgenootschap ligt. Achtergrond daarvan is dat Parijs kennelijk wil voorkomen dat het imago van de NAVO positief wordt beïnvloed in vergelijking met de (veel grotere financiële) inspanningen die de lid-staten van de Europese Gemeenschap zich getroosten voor hulp aan de Sovjet-Unie.

De herfstzitting van de Noordatlantische raad, vandaag en morgen, staat geheel in het teken van de veranderingen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie en de gevolgen die die hebben voor de veiligheidsstructuur in Europa en de wereld. Eerder deze week zijn de ambassadeurs van de zestien NAVO-landen en die van negen Oosteuropese landen - Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië, Bulgarije, de Sovjet-Unie, Estland, Letland en Litouwen - bijeengeweest om het communiqué voor te bereiden dat morgen zal worden aangenomen door de ministers van de 25 landen.

De tekst daarvan is vooral gebaseerd op de begin vorige maand op de NAVO-topconferentie in Rome aangenomen “verklaring over vrede en samenwerking” en de gezamenlijke verklaring van de CVSE-conferentie in Parijs. In Rome werd al voorgesteld jaarlijks op ministerieel niveau Noordatlantische samenwerkingsraden te houden. De bedoeling is dat de ambassadeurs van de 25 landen bij de NAVO elkaar eens in de twee maanden ontmoeten.

Door de institutionalisering van deze en andere contacten, ook op militair niveau, zal het verlangen van veel Oosteuropese landen om lid te worden van de NAVO, zo menen hoge NAVO-functionarissen, minder dringend worden. “Naarmate het overleg in de samenwerkingsraad gestalte krijgt wordt de drempel voor schending van de veiligheid verhoogd en het gevoel van veiligheid vergroot”, zo is de mening bij de NAVO.

De grootste zorg die er bij de NAVO bestaat betreft de aanwezigheid van grote aantallen nucleaire wapens in de Sovjet-Unie, de mogelijkheid van proliferatie en de controle op kernwapens. “We willen niet dat er meer kernmachten ontstaan en we willen dat er één enkel commando blijft bestaan”, zo zei een NAVO-diplomaat. Anderzijds is men zich ervan bewust dat die bezorgdheid in de betrokken republieken, Rusland, de Oekraïne, Wit-Rusland en Kazachstan, evenzeer bestaat.

Of morgen over dergelijke problemen een werkelijke discussie kan ontstaan wordt echter betwijfeld. Er zijn 210 minuten uitgetrokken voor de verklaringen van 25 ministers (of hun vertegenwoordigers), vijf tot zeven minuten voor de Oosteuropeanen en twee tot drie minuten voor de NAVO-ministers.