Verslag van Rekenkamer kritisch over verscheidene departementen; Wettelijke regeling van "Seveso-richtlijn' voor bedrijven laat na zes jaar nog op zich wachten

DEN HAAG, 19 DEC. In het vandaag verschenen decemberverslag levert de Algemene Rekenkamer kritiek op het beleid van verscheidene departementen.

Zo heeft het ministerie van financiën “zich onnodig kwetsbaar opgesteld” toen het in oktober 1988 en juni 1989 betalingscontracten afsloot met de BankGiroCentrale en de Postbank. Waar deze instellingen vroeger hun inkomsten ontleenden aan de rente over overheidsgeld dat onderweg was, worden zij nu per transactie door de overheid betaald. Deze nieuwe contracten kosten de overheid nu jaarlijks circa 75 miljoen gulden. De Rekenkamer zet vraagtekens bij dat bedrag. Het ministerie van financiën liet immers tevoren weten dat het nieuwe systeem niet meer mocht kosten dan het oude, maar ook niet goedkoper hoefde. Daarmee gaf het ministerie volgens de Rekenkamer zijn onderhandelingspositie met de banken prijs. Dit temeer omdat het ministerie geen eigen informatie had over het aantal betaaltransacties en over de verwerkingskosten.

Een ander kritiekpunt van de Rekenkamer betreft de Seveso-richtlijn, die door Nederland onvoldoende serieus wordt genomen. Deze richtlijn werd in 1982 door de EG uitgevaardigd na de dioxineramp in het Italiaanse Seveso in 1976. Kern van de richtlijn is de verplichting voor bepaalde bedrijven om de overheid te informeren over produktie, organisatie en veiligheidsmaatregelen. De Seveso-richtlijn moest uiterlijk 1985 leiden tot wettelijke invoering. Maar begin 1991 was dit proces in Nederland nog altijd niet afgerond. Bovendien overschrijden bedrijven die een "arbeidsveiligheidsrapport' moeten opstellen de voorgeschreven termijn in ruime mate, en hetzelfde geldt voor de indiening van externe veiligheidsrapporten, die de bescherming van mens en milieu buiten het bedrijfsterrein moeten bevorderen. De gemeenten hebben voor het merendeel van de bedrijven nog geen rampenbestrijdingsplannen opgesteld.

Het ministerie van economische zaken krijgt de wind van voren omdat het vermogen aan windenergie te weinig stijgt. Volgens de plannen van 1986 moest dit vermogen oplopen tot 100 à 150 megawatt in 1990, maar in november 1991 was slechts 80 megawatt gerealiseerd. Ook was nog steeds geen rendabele Nederlandse windturbine ontwikkeld. Bij de toekenning van subsidies wordt het principe “wie het eerst komt, die het eerst maalt” gehanteerd. Volgens de Rekenkamer gaat dit ten koste van de kwaliteit.

De Rekenkamer levert opnieuw kritiek op de aanpak van de mestproblematiek in Nederland, in het bijzonder op de verwerking van mest. De regering ziet in mestverwerking sinds 1985 de belangrijkste oplossing voor het mestprobleem, maar inmiddels is duidelijk dat de beoogde capaciteit voor mestverwerking (6 miljoen ton in 1994) niet zal worden gehaald. De financiering, de toelevering van mest en de afzet van mestverwerkingsprodukten zijn nog hoogst onzeker. Bovendien stagneert de verspreiding van kennis op dit punt, omdat resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek geheim worden gehouden. In een reactie zei minister Bukman van landbouw, natuurbeheer en visserij dat de mestverwerking inderdaad “ernstig stagneert”. Maar volgens de Rekenkamer heeft het ministerie veel te lang de kat uit de boom gekeken en kwam men pas in 1989 met een concrete taakstelling.

Minister Bukman wordt ook bekritiseerd om de subsidies die zijn departement geeft aan sommige veehouders. Een steekproef onder veehouders die gebruik maakten van de Bijdrageregeling Praktijkprojecten Mestproblematiek leverde een onthutsend beeld op. Een citaat: “Geen van de door de Rekenkamer benaderde aanvragers bleek een mestprobleem of problemen met de mestafzet te hebben. (...) Een aantal ondernemers wist niet dat de door hen verkregen subsidie iets met mest te maken had.” De Rekenkamer onderzocht in 1990 en 1991 bij zes departementen en bij de Raad van State in hoeverre er betaald overwerk werd verricht. In 1989 werd op een totaal aan salarissen van 7,5 miljard gulden voor overwerk 97 miljoen gulden uitbetaald, in het bijzonder bij de lagere uitvoerende functies. Bij haar onderzoek stuitte de Rekenkamer op ambtenaren die structureel meer dan 100 uur per maand overwerken. Zulk overwerk moet volgens de Rekenkamer actiever worden bestreden.

Opnieuw levert de Rekenkamer kritiek op de financiële verantwoording door uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid. Niet duidelijk is aan welke instantie de verschillende organen (bedrijfsverenigingen, gemeenschappelijke medische dienst, etc.) verantwoording moeten afleggen en welke vorm en inhoud de stukken moeten hebben, hoewel de verplichting tot het afleggen van verantwoording is vastgelegd in de wet. Het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waarin de meeste bedrijfsverenigingen samenwerken, heeft zelfs helemaal geen financiële verantwoordingsplicht.

De Rekenkamer stelt de misstanden bij de reclassering scherp aan de kaak. Aanbevelingen van een extern bureau in 1987 en een interne werkgroep in 1988 “hebben niet tot verbetering geleid”. De relatie tussen de Nederlandse Federatie van Reclasseringsinstellingen en de 19 reclasseringsstichtingen “wordt gekenmerkt door irritaties en frustraties”.

Volgens de Rekenkamer ontbreekt het de stichtingen aan goede informatie over de eigen werkzaamheden. De Rekenkamer dringt aan op een betere samenwerking met andere organisaties, maar levert ook kritiek op het toezicht door het departement. Volgens staatssecretaris Kosto (justitie) is er een verband tussen de problemen bij de reclassering en de recente bezuinigingsmaatregelen. Maar de Rekenkamer wijst er “nadrukkelijk” op dat die twee los van elkaar staan.