Van burgervaderschap is niets overgebleven

In augustus 1991 pleitte de Commissaris der Koningin in de provincie Gelderland, De Bruyne ervoor om burgemeesters voor het leven te benoemen, omdat alleen op die manier van een "fatsoenlijke carrièreplanning' sprake kan zijn. Vervolgens verklaarde vice-premier Kok in november het wenselijk te vinden dat bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen ook de burgemeester wordt gekozen, als versterking van de plaatselijke democratie.

Het tot nu toe herkenbare benoemingsbeleid van nieuwe burgemeesters roept, door de kennelijke voorkeur voor wethouders en gemeenteraadsleden, het beeld op van het - langs een omweg - tòch gekozen zijn. Dit is een theoretische rechtvaardiging van democratische doelstellingen en een omzeiling van de grondwettelijk gewaarborgde benoemde burgemeester. Weliswaar is bij de laatste grondwetswijziging niet bepaald dat de burgemeester gekozen moet worden, maar de voorstanders ervan hebben bewerkstelligd dat in het regeerakkoord de zinsnede werd opgenomen “dat grondwetswijziging om tot een meer democratische benoeming van Commissarissen der Koningin en Burgemeesters te komen, niet bij voorbaat uitgesloten wordt”.

Maar reeds lang tevoren was de koers bepaald die leidde tot het bij voorkeur benoemen van plaatselijke en landelijke politici in plaats van kandidaten, die, naar een minister ooit verklaarde, “naar algemene en voornaamste maatstaf voor het ambt de geschiktheid bezitten, welke bepaald wordt door vakkennis, staatkundig inzicht, optreden, voorkomen, karakter, maatschappelijke belangstelling, gedraging in het openbaar en het familieleven”. Het één hoeft het ander uiteraard niet uit te sluiten, maar de trend naar het (indirect) gekozen zijn betekent onmiskenbaar een beletsel voor de doorstroming en de carrièreplanning van de zittende burgemeesters en het kortwieken van de keuzemogelijkheden.

De tijdgeest heeft inmiddels bewerkstelligd dat het aanzien van het burgemeestersambt aanzienlijk is gedevalueerd. De progressieve politiek heeft daar krachtig aan bijgedragen door het als vanzelfsprekend voor te stellen dat geen enkele gemeente in deze tijd nog bekwaam kon worden bestuurd zonder een politiek bestuursprogramma, waartoe politieke aanspreekbaarheid behoort. En aangezien de benoemde burgemeester niet politiek aanspreekbaar is, omdat zijn benoeming en herbenoeming aan de bevoegdheid van gemeenteraad en kiezers is onttrokken, werden hem voortaan, bij de taakverdeling in het college van burgemeester en wethouders, geen politieke portefeuilles meer toevertrouwd.

Uitgaande van het spreekwoordelijke "regerend vooruitzien' hebben de politieke partijen bij meerderheid de verantwoordelijkheid op zich genomen het op zichzelf doeltreffende Thorbeckiaanse burgemeestersmodel te ontmantelen terwille van de heiligverklaarde democratisering. Want wat rest de hedendaagse burgemeester nog aan bestuursmogelijkheid? Dat zijn de hem krachtens de gemeentewet opgedragen taken van "hoofd der plaatselijke politie' - inmiddels ook aan invloed verliezende door de landelijke reorganisatie - en van "het oppertoezicht bij brand', dat op zichzelf en door de regionalisaties der brandweren ook niets meer voorstelt. Dan zijn daar nog het nimmer aangevochten recht om "de post te openen', waar geen enkele burgemeester zich aan waagt en de macht om "raadsbesluiten ter vernietiging voor te dragen' die hij als voorzitter van de gemeenteraad in strijd acht met de wet of het algemeen belang.

Wat blijft er over? Het voorzitterschap van de gemeenteraad, een doorslaggevende stem ingeval de stemmen staken in het college van burgemeester en wethouders en het niet-wettelijke, maar ook al verschalende "burgervaderschap', benevens het optreden als representant van de gemeente bij officiële gelegenheden, althans voorzover de wethouder dat niet opeist als behorende tot zijn-haar portefeuille.

Tegen de tijd, dat het burgemeesterschap tot horigheid aan de politieke partij is vervallen en van alle mogelijkheden ontdaan is, staat het ambt open ter publieke discussie. Men zal aanvoeren dat het streven om door samenvoeging en herindeling te komen tot grotere en meer bestuurskrachtige gemeenten, van minimaal tienduizend inwoners, er toe bijdraagt om binnen de plaatselijke bevolking personen te vinden, die geschikt en bereid zijn om een in hoofdzaak representatief burgemeesterschap, zoals in het buitenland, te vervullen, als nevenfunctie, wel te verstaan.

Gezien de grondwettelijke en gemeenterechtelijke beletselen, welke er tot dusverre tegen de verkiezing van de burgemeester bestaan, werden de eerste stappen op de weg daarheen gezet door invoering van het fenomeen "profielschets' en "vertrouwenscommissies', waardoor aan de bevolking en de gemeenteraad de illusie wordt gegeven invloed op de benoeming te hebben.

Uiteindelijk zal in een Verenigd Europa alles wat afwijkt van de algemene normen worden genivelleerd. De elders in Europa nergens als beroeps-bestuurder voorkomende Nederlandse burgemeester zal daarbij zeker de volle aandacht krijgen.