Tussen beleving en geschiedschrijving gaapt kloof; Er ontstond een hele discussie over de begrippen excessen en oorlogsmisdrijven.; De historicus moet vrij zijn, of hij nu door de overheid wordt betaald of niet.

In kringen van Indië-veteranen en ook daarbuiten is de Indië-periode nog altijd voelbaar. Men probeert te zorgen voor een verantwoorde overdracht van het historische erfgoed. Uit het tumult over de geschiedschrijving van L. de Jong is echter gebleken hoezeer de geschiedbeleving van de voormalige "jongens overzee' en de geschiedschrijving vaak van elkaar afwijken.

Vóór de oorlog wist iedereen het zo goed: Nederland en Nederlands-Indië hoorden bij elkaar. Zonder Nederlands-Indië zou het moederland in de wereld nauwelijks meetellen en bovendien de nodige inkomsten missen. En Nederlands-Indië mocht zich gelukkig prijzen gesteund te worden op zijn weg naar zelfontplooiing. Tijdens de aardrijkskundelessen leerden de schoolkinderen de geografie van Nederlands-Indië van buiten. Zij kenden haast ieder eiland bij naam. Op Koninginnedag paradeerde de Koloniale Reserve op het Haagse Malieveld.

Pearl Harbor op 7 december 1941 luidde een nieuwe periode in. Wij kwamen in oorlog met Japan en in maart 1942 werd Indië bezet.

Radio Oranje liet er geen twijfel over bestaan: na de Duitse nederlaag zou Indië worden bevrijd. Vele illegale bladen lieten dezelfde geluiden horen. Toen de geallieerde legers Nederland bevrijdden, oefende de bevrijdersrol een sterke invloed uit. Canadezen, Britten en Amerikanen hadden Nederland bevrijd en bij hun opmars haden de geallieerde militairen het getij mee. Nu zou de strijd tegen Japan pas goed beginnen, maar na 15 augustus 1945 hoefde dat niet meer. Er bleek een andere taak weggelegd.

Op 17 augustus 1945 werd de Republiek Indonesia uitgeroepen, wat de chaos in het na-oorlogse Indië alleen maar groter maakte. Het brengen van orde en vrede in Nederlands-Indië, waar zoveel bewoners in levensgevaarlijke omstandigheden verkeerden en bendes hun omgeving terroriseerden, was een eerste vereiste.

Herkenbare vijanden waren natuurlijk Soekarno en de zijnen, dikwijls beschouwd als collaborateurs zoals de NSB'ers waren geweest.

Oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen vertrokken. Overigens waren er ook tegenklanken. De meerderheid van de politici was ervan overtuigd de juiste beslissingen te hebben genomen: het had in de lijn der dingen gelegen. De Nederlandse bevrijders in spe hadden echter het tij tegen. Zij bleken geen bevrijdingsoorlog te voeren, maar waren eigenlijk ooggetuigen en participanten in een snel veranderingsproces dat zich in Indonesië voltrok. Geen roemrijke overwinning was voor hen weggelegd, maar wel de teleurstelling. Zij voelden zich in de steek gelaten. De politici hadden het verkeerd gedaan, Engeland en de Verenigde Staten, de bondgenoten in de Tweede Wereldoorlog, lieten Nederland nu in de kou staan.

Een merkwaardige mengeling van gevoelens bleef over. Dierbare herinneringen aan die Indië-tijd - voor zover men ongeschonden uit de strijd was gekomen - en ergernis over alles wat niet in de beleving van de geschiedenis paste. De betrokkenheid was en is nog steeds groot, wat niet alleen verklaarbaar, maar ook volkomen terecht is. De gevaren die in de tropische nacht op de loer lagen, de patrouilles met het constante risico van in een hinderlaag te lopen, de gevechten, de doden, de gewonden, lieten hun sporen na.

Grote waardering krijgt nog steeds het gedicht dat generaal Spoor in 1947 verspreidde: Wij wenden ons tot God en Jan Soldaat Als hoge nood en bitt' re strijd ons wacht, De nood voorbij, het land in vredesstaat Vergeten wordt de Heer en Jan Soldaat.

Menigeen dacht dat Spoor dit zelf had bedacht, maar de generaal had een bekend Engels gedichtje uit de zeventiende eeuw laten vertalen. Dezelfde gevoelens kwamen vroeger en elders ook voor. Iedereen echter sterft zijn eigen dood en dat is erger dan wat anderen overkomt.

Toch, vanuit hun diep ingegraven stellingen hadden de Indië-gangers soms een beperkt schootsveld en overzagen zij niet het gehele gevechtsterrein. Een historisch plechtanker is nog steeds het boek van A. van Sprang, Wij werden geroepen (1949) met als ondertitel: De geschiedenis van de 7 December Divisie, met zweten en zwoegen geschreven door twintigduizend Nederlandse mannen, door J.A.A. van Doorn een vakbekwame historie genoemd.

Toch was ook het schootsveld van Van Sprang beperkt. Soms is het kennisnemen van recente publikaties een pijnlijke ervaring, omdat men het gevoel heeft dat het vertrouwde beeld wordt vertekend. Dat was zeker het geval toen het concept-hoofdstuk 7 van deel 12 van L. de Jong ging circuleren.

In 1987 verspreidde De Jong het concept-hoofdstuk 7 onder zijn meelezers. Eén van hen, kolonel b.d. C.A. Heshusius, vond in de tekst de term "oorlogsmisdrijven' waarmee De Jong buitensporigheden in het Nederlandse optreden karakteriseerde en kwam als goed militair in het geweer. Het was zijn grote bezorgdheid die hem dwong tot deze stap. Hij liet de tekst aan anderen lezen, waarop een ontsporing van verbaal geweld volgde. De Jong reageerde verontwaardigd over het schenden van zijn vertrouwen, maar stelde ook vast dat het nimmer in zijn bedoeling had gelegen wie dan ook te kwetsen. In ieder geval werd onderschat hoe gevoelig Indië nog ligt. Het rumoer over het concept-hoofdstuk deed bij velen de bloeddruk oplopen en de lust tot polemiseren toenemen.

Er ontstond een hele discussie over de begrippen excessen en oorlogsmisdrijven. De Jong herschreef het hele hoofdstuk en generaal b.d. F. van der Veen kreeg de gelegenheid in een bijlage zijn visie te geven. Dit laatste is wel heel uitzonderlijk. Deel 14, dat de discussies over en de reacties op het oeuvre van De Jong bevat, besteedt natuurlijk ook aandacht aan het concept-hoofdstuk 7.

Ik neem aan dat ieder die zich over dit hoofdstuk heeft opgewonden, en wellicht naar de pen heeft gegrepen, met aandacht de definitieve versie en deel 14 heeft gelezen, zodat een weergave van één en ander overbodig is. Twee zaken wil ik er echter uitlichten. Allereerst de plaats van de auteur jegens zijn opdrachtgever de minister van onderwijs en wetenschappen. Mag de auteur een eigen, persoonlijk gekleurde mening hebben? Of is hem de rol van "his master's voice' toebedeeld? Absoluut niet.

Nogal wat veteranen waren van mening dat de minister moest ingrijpen en de publikatie van het concept-hoofdstuk verbieden. Dit ging ook de minister te ver. De historicus moet vrij zijn, of hij nu door de overheid wordt betaald of niet. En het is niet de minister die dit boek tot een gezaghebbende publikatie maakt, dat zijn de uitzonderlijke kwaliteiten van de auteur.

Een tweede punt is de buitensporig felle toon die door sommigen werd aangeheven. In het tijdschrift Terugblik van de Documentatiegroep '40-'45 (augustus 1988) schreef Jacob Zwaan onder meer: “Het gehele boek ademt een geest van onbegrip, minachting en vijandigheid tegen alles wat militair is”.

De Jong, vijand van het leger? Kolonel Heshusius uiteraard niet, want zoals De Telegraaf van 18 november 1987 schreef: “Kolonel Heshusius is onlangs onderscheiden met de Prins Maurits-medaille voor militaire geschiedschrijving”. Deze onderscheiding wordt verleend door de Koninklijke Nederlandse Vereniging "Ons Leger' aan hen, die door loffelijke daden hebben bijgedragen tot verhoging van het aanzien van de Koninklijke Landmacht. Ook aan De Jong is deze onderscheiding toegekend, toegegeven, lang vóór de trammelant over hoofdstuk 7, maar hij heeft hem toch maar ontvangen.

Betreurenswaardig is ook dat Zwaan op zo'n negatieve wijze schrijft over Van Doorn, Hendrix en Bank.

Verder zegt hij: “Bovendien hebben wij, lijkt mij, al genoeg verguizing, minachting en verdachtmakingen over ons heen gekregen”.

Natuurlijk mag men zich aan De Jong ergeren, het niet met hem eens zijn. Dan zal men trouwens niet alleen staan. Daarbij is het nuttig te overdenken wat De Jong aan het slot van deel 13 schreef: “Ten slotte wil ik opmerken dat ik mij ervan bewust ben, een werk te hebben geschreven waaraan, hoezeer ik er ook naar heb gestreefd, fair te blijven, persoonlijke opvattingen ten grondslag liggen, dat de door mij beschreven materie op talloze punten verder kan worden uitgediept en wellicht dient te worden gecorrigeerd en dat de mogelijkheid blijft bestaan om het in mijn werk geschetste totaalbeeld in andere belichtingen te plaatsen. Voor mij is dit werk een eindpunt, niet voor de geschiedschrijving”, aldus De Jong.

In de gehele discussie klinkt ook nog door: er moet een tegenboek komen! Dit is volgens mij geen goede gedachte. Kurang baik, zoals ze in Indonesië zouden zeggen.

Zoals De Jong zegt, kan één en ander in een nieuw licht worden geplaatst. Steeds weer zal onze visie zich wijzigen, ook over de Indië-periode. Dat wijst erop dat die periode springlevend is. Bovendien is het een rijke geschiedenis, waarvoor wij ons niet hoeven schamen.

Het is toe te juichen dat zovele participanten graag nieuwe en grondige studies zouden willen ondersteunen. Maar dan nimmer in de vorm van een tegen-boek, dat eenzijdig gericht is tegen de geschiedschrijving van L. de Jong.

De roep om erkenning is zo algemeen, dat wellicht de vraag opkomt: is er nooit iets gedaan? Bij terugkomst ontvingen de Indië-gangers het Ereteken voor Orde en Vrede, ingesteld in 1947. Bij de demobilisatie werd bovendien de herinneringsspeld voor op het burgerpak uitgereikt. Ongetwijfeld zal iedereen die nu om erkenning vraagt deze speld dragen.

De naam van generaal Spoor werd aan een kazerne gegeven. Hoeveel straatnamen dragen niet zijn naam? In Aerdenhout, Bergen op Zoom, Dordrecht, Ede, Haarlem, Kockengen, Rijswijk, Soesterberg, Voorschoten. Naar Van Heutsz is in 1950 een regiment vernoemd. Hoe vaak ontvingen oud-strijders geen steun van kazernecommandanten voor het houden van reünies? Vaandelopschriften die de herinnering aan het Nederlandse militaire optreden in Indonesië levend houden, zijn er ook. En, ere wie ere toekomt, kolonel Heshusius heeft bij de toekenning ervan een grote rol gespeeld.

Was er sprake van erkenning? Ik vind van wel.

Was het voldoende? Dat weet ik niet. Wel weet ik dat meer dan honderdduizend Nederlanders in opdracht van het land een moeilijke taak, vol gevaren, op zeer loyale wijze hebben volbracht. Dat schept verplichtingen, onder andere door zorgzaam om te gaan met gevoelens.

Dat ontslaat echter niemand van de plicht zich vragen te stellen en naar antwoorden te zoeken. Want wat goed is, is goed, en wat fout is, mag niet worden verzwegen. Bij alle tumult over geschiedbeleving en geschiedschrijving zouden wij bijna één ding vergeten: voor wie zijn wij verantwoordelijk? Voor de gesneuvelden en hun nabestaanden. Voor de gewonden. Voor hen die nu pas te lijden krijgen onder ervaringen van vroeger. Voor de KNIL-militairen die, geboren en getogen in Indië, terechtkwamen in een ander klimaat, in een andere cultuur. Dat is traditionele kameraadschap, of, om het moderner te zeggen, solidariteit.

In allerlei reisverslagen van Indië-veteranen kan men lezen: “Wij hebben het nog niet zo slecht gedaan. Wij werden ontvangen als goede vrienden en niet als bezetters”. Dat is een positief geluid. Hopelijk zullen die reizigers ook denken aan de tienduizenden Indonesische slachtoffers. Terloops, zou een dessa-bewoner na vijftig jaar ook kunnen lijden aan trauma?

Wanneer wij de moeilijkheden hebben overwonnen, de anderen naar vermogen hebbengesteund en zelf niet over onze gezondheid hebben te klagen, is het tijd terug te gaan naar het verleden, na te denken over wat er is gebeurd,blij te zijn over wat wij hebben meegemaakt en bedroefd over diegenen die wij hebben verloren.