Pauze vóór eerste bedrijf in vredesproces; "Ik kan niet zeggen dat wij één stap vooruit zijn gekomen'

WASHINGTON, 19 DEC. Nog vóór het eerste bedrijf werd gistermiddag (Amerikaanse tijd) de pauze aangekondigd in één van de langdradigste toneelstukken die Israel en zijn Arabische vijanden ooit voor de wereld hebben opgevoerd. De titel van het stuk: Bilaterale Israelisch-Arabische vredesonderhandelingen.

Toen negen dagen geleden, na een vertraging van één week (veroorzaakt door de Israeliërs) en nog eens één dag (veroorzaakt door de Palestijnen), de gordijnen opgingen, probeerden alle spelers het (Amerikaanse) publiek wijs te maken dat zij hoopvol en optimistisch waren. De Palestijnen mengden die mededelingen met een grote dosis verbittering, de overige Arabieren met een teugje skepsis, en de Israeliërs met veel vertoon van blijdschap, gemengd met twijfels.

In de loop van de week verwisselden de spelers af en toe van rol en namen zij zelfs elkaars teksten over. Zo vertelde Hanan Ashrawi, de woordvoerster van de Palestijnen, dat de Israeliërs “tijdens het spel de doelpalen ongeoorloofd wilden verplaatsen” - waarmee zij letterlijk de beschuldiging van een paar dagen tevoren herhaalde van de Israelische woordvoerder Benjamin Netanyahu ten aanzien van de Palestijnen. Op zijn beurt speelde Netanyahu de verontwaardigde, nadat Ashrawi op dringend verzoek van een paar Palestijnse delegatieleden haar bittere aanklachten door een gematigder optreden had vervangen.

Maar gistermiddag was iedereen, wat betreft de reclameboodschappen, weer op zijn uitgangsposities terug. Toen maakte de Israelische delegatie, die oorspronkelijk al dinsdag naar huis zou gaan, bekend dat zij omstreeks middernacht zou vertrekken om de volgende avond 21.00 uur in Israel te zijn en daar nog vóór de sabbat aan de regering verslag uit te brengen. Dus moest iedereen publiekelijk de tussen-balans opmaken.

De gesprekken tijdens de 25 ontmoetingen, die volgens de Israeliërs in totaal 65 uur duurden (30 uur op een sofa in de gang met de leiders van de Jordaans-Palestijnse delegatie, 19 uur met de voltallige Libanese en 16 uur met de voltallige Syrische delegatie), bleken als enige te hebben opgeleverd dat alle partijen om het hardst riepen dat zij de vredesonderhandelingen willen voortzetten - ondanks alle kwade wil en kwade trouw van de tegenpartij.

Begin januari worden zij hervat. Israel heeft met Libanon 8 januari afgesproken, aan de Jordaniërs en Palestijnen 7 januari voorgesteld, en aan de Syriërs 13 januari. Over de plaats van bijeenkomst moet nog worden onderhandeld. Die kan even goed Washington als Istanbul zijn.

Hanan Ashrawi beschreef, geheel naar verwachting, de behaalde non-resultaten met een lading bittere beschuldigingen aan het adres van Israel en met een paar zachte, doch niet minder duidelijk verwijten aan het adres van de Amerikaanse regering.

Ze zei dat de Israelische regering, die meer dan 40 jaar lang had geroepen waar ook maar met de Arabieren over vrede te willen praten, thans niet in staat of bereid is vrede te sluiten. Welbewust probeert de regering-Shamir - tegen de zin van de Israelische vredesbeweging en van ten minste 50 procent van het Israelische volk - de vredesonderhandelingen met “trucs” op de lange baan te schuiven. Zij speelt in Washington allerlei “vuile spelletjes” en zet intussen in de bezette gebieden de Palestijnse bevolking onder druk met moord, landroof en met vernietiging van huizen en olijfbomen, terwijl de Amerikaanse regering die zich aanvankelijk zo voor de vredesonderhandelingen had ingezet, nu de andere kant uitkijkt en niets doet om de onderhandelingen enige substantie te geven.

Ashrawi deelde mee dat de Palestijnen onder oneerlijke en onrechtvaardige voorwaarden de onderhandelingen waren ingegaan en te goeder trouw allerlei concessies hadden gedaan om “de trilaterale onderhandelingen” uit de startblokken te krijgen. Met die laatste zinsnede gaf zij opnieuw aan dat de Palestijnen vast van plan zijn om koste wat het kost hun eigen identiteit te onderstrepen - dat betekent onafhankelijk van de Jordaniërs te onderhandelen over voorlopig zelfbestuur, als inleiding van een onafhankelijke Palestijnse staat.

De Palestijnse delegatie was, aldus Ashrawi, bereid geweest om zelfs tijdens de feestdagen met de onderhandelingen door te gaan. Nu zouden de Palestijnen nog een paar dagen in Washington blijven (zij gaan pas vrijdag naar Amman omdat alle vliegtuigen in verband met de Kerstdrukte volgeboekt zijn). Ashrawi liet in het midden of de Palestijns-Jordaanse delegatie zich vandaag opnieuw naar het State Department begeeft om daar onder het oog van de TV-camera's een niet-aanwezige Israelische delegatie te ontmoeten.

De hoofden van de drie Israelische onderhandelingsdelegaties, die samen met Netanyahu en de Israelische ambassadeur in Washington voor het voetlicht traden, waren daarentegen één en al blijmoedigheid. Weliswaar hadden de Syriërs de Israelische voorstellen verworpen om tijdens de pauze telefonisch contact met elkaar te onderhouden, de ambassadeurs in Washington met elkaar te laten praten of zelfs maar een onschuldig, gemeenschappelijk communiqué uit te geven. Weliswaar hadden de Palestijnen nog steeds niet begrepen dat zij niet eenzijdig de spelregels inzake de bilaterale onderhandelingen konden veranderen, die na acht moeizame maanden ten slotte met alle partijen waren afgesproken. En weliswaar hadden de Libanezen nog niet aanvaard dat Israel alleen in het kader van een vredesverdrag en afgesproken veiligheidsmaatmaatregelen Veiligheidsraadresolutie 425 zou uitvoeren, dat wil zeggen zijn troepen naar de internationale grens terugtrekken.

Maar dat betekende allemaal niet dat er de afgelopen dagen geen grote vooruitgang was geboekt. Want de partijen hadden direct met elkaar gepraat. Zij begrepen elkaars persoonlijkheid en elkaars standpunten veel beter en ze kenden zelfs elkaars telefoonnummers.

Het was één en al positieve gezindheid, wat de Israeliërs brachten: de omgekeerde show van nog maar een dag tevoren. Toen hadden zij getuigd van hun “teleurstelling” en “droefheid” over de halsstarrige houding van de Palestijnen en de Syriërs, en hadden zij ook gewag gemaakt van de 1200 in Syrië gehuisveste terroristen, Palestijnen, Duitsers en Japanners.

De Israeliërs zeiden gisteren ten afscheid precies wat het Amerikaanse publiek - als het ook maar enige belangstelling zou hebben - aangenaam vindt om te horen. Elyakin Rubinstein, die de onderhandelingen met de Jordaans-Palestijnse delegatie leidt, ging zelfs zo ver zijn gesprekspartners “vrienden” te noemen. En hij sprak met het grootste respect over hen.

Niemand had van de onderhandelingen een doorbraak verwacht, daarvoor is het veel te vroeg. De partijen zijn elkaar en de Amerikaanse regering aan het aftasten. Pas in een veel later stadium zullen zij èchte voorstellen ter tafel brengen, als zij dat willen of door derden daartoe worden gedwongen.

Zo zeggen Arabische specialisten dat president Assad van Syrië nog steeds geen beslissing heeft genomen of hij werkelijk wel een vredesverdrag met Israel wil sluiten. Hij zou maximaal bereid zijn een niet-aanvalsverdrag te tekenen. Maar één van de Israelische delegatieleden is van mening dat dit niets zegt. “Toen president Sadat van Egypte aan de vredesonderhandelingen met Israel begon, wilde hij ook niet zo ver gaan.”

De Syrische delegatieleider Mowafaq Allaf gaf inderdaad een opvallend rustige evaluatie van de onderhandelingen. Hij zei dat de Israeliërs zaken te berde hadden gebracht “die van geen direct belang zijn voor het vredesproces, althans niet in dit stadium”. Zij hadden ook “een verdraaide interpretatie” gegeven van Veiligheidsresolutie 242. Hij kon niet zeggen “dat wij één stap vooruit zijn gekomen”. Niettemin zou Syrië geduldig verder onderhandelen omdat het eerlijk naar vrede streeft.

De grootste teleurstelling was dat Israel en de Jordaans-Palestijnse delegatie niet uit het stadium van de corridor-diplomatie kwamen. Zij waren het gisteren nog steeds oneens over schijnbaar futiele formaliteiten. Die bepalen echter in werkelijkheid de mate waarin de Palestijnen, los van Jordanië, in de toekomst kunnen opereren. Zo willen de Israeliërs - tot grote woede van zowel de Jordaniërs als de Palestijnen - dat als de gemengde Jordaans-Palestijnse delegatie in “twee sporen” uiteenvalt om met Israel te onderhandelen (over resp. Jordaanse zaken en Palestijns zelfbestuur), elk van die twee Arabische onderhandelingsgroeperingen de helft omvat van de totale Jordaans-Palestijnse delegatie. Die zouden dan het dubbele aantal Israeliërs tegenover zich vinden.

Tot diepe teleurstelling van de Arabieren greep de Amerikaanse regering niet in. Alles wijst erop dat het State Department in de Israelisch-Palestijnse ruzie, zonder het met zoveel woorden te zeggen, de Israelische interpretatie van de gemaakte afspraken onderschrijft. Bovendien voelen de Amerikanen er niets voor om voortdurend in detailkwesties tussenbeide te komen, die zij van ondergeschikt belang achten. Want als zij daarmee zouden beginnen, zou James Baker niet langer minister van buitenlandse zaken kunnen zijn, maar de minister moeten worden voor de vrede in het Midden-Oosten en zich de komende jaren uitsluitend aan die taak moeten wijden.