Onderzoek Wir-fraude levert overheid 22.000 gulden per dag op; Juridische stappen tegen 60 bedrijven die te veel claimden

DEN HAAG, 19 DEC. In een decennium tijd is de Wet Investeringsrekening (Wir) gedegradeerd van “een totaal nieuw instrument waarvan Keynes niet had durven dromen” tot de nachtmerrie voor elke minister van financiën. (Dixit Ed. van Thijn in zijn Dagboek van een onderhandelaar over de kabinetsformatie 1977).

De Wir was het geesteskind van het kabinet-Den Uyl en werd in 1978 geïntroduceerd door het eerste kabinet-Van Agt om investeringen door bedrijven te stimuleren en te sturen: de maakbare samenleving. Tien jaar later werd de Wir afgeschaft omdat de jaarlijkse overschrijdingen iedere keer noopten tot aanpassing van de begroting. En de samenleving bleek niet "maakbaar'.

Op 29 februari 1988 meldde een speciale editie van de Staatscourant de afschaffing van de Wir: “in plaats van 12,5 percent; 0 percent”. Ondernemers hebben in het weekend vóór de afschaffing van de Wir nog massaal gebruik-misbruik gemaakt van de subsidieregeling. In twee dagen tijd werd voor een bedrag van 7 miljard gulden geïnvesteerd; ruim 15 procent van de totale bedrijfsinvesteringen in dat jaar.

Tien maanden na de afschaffing van de Wir (in december 1988) bleek het nog mogelijk investeringen te doen met een “gegarandeerde Wir-aftrek”. Naar aanleiding hiervan stelden de Tweede-Kamerleden Willem Vermeend en Henk Vos (beiden PvdA) vragen aan staatssecretaris Koning van financiën. Op 23 januari 1989 liet Koning (VVD) de Kamer weten dat hij machteloos stond. “Naar mijn oordeel en dat van de betrokken inspecteurs zijn er in het algemeen geen fiscaal-juridische argumenten om de desbetreffende contracten te bestrijden.”

Koning zei toen dat hij geen “bijzondere maatregelen” ging nemen; de belastinginspecteurs zouden de contracten “uit de periode rond 27 en 28 februari 1988 extra zorgvuldig bezien”.

Ruim twee jaar later - 31 januari 1991 - begint de Belastingdienst met een onderzoek naar de zogenoemde 28 februari 1988-contracten. Bij deze contracten gaat het om investeringen die zijn verricht vlak voordat met ingang van 29 februari 1988 de Wir-premie op nul is gesteld. Dat onderzoek duurt tot en met september 1991, zo blijkt uit het verslag dat staatssecretaris Van Amelsvoort van financiën vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De controle-ambtenaren bij de Belastingdienst hebben kritiek op het tijdstip waarop met het onderzoek is begonnen, sommige diensten zijn al met een onderzoek gestart voordat de ambtelijke top in Den Haag het groen licht gaf.

De werkgroep die het onderzoek heeft begeleid schrijft: “Een actie in 1991 die zich richt op (fiscale) gedragingen van het begin 1988 draagt op het eerste gezicht niet het aureool van adequaat handelen”. Maar dit is slechts voor “een klein gedeelte waar”. Volgens de werkgroep kon pas in 1991 goed worden beoordeeld of de "28 februari 1988-investeringen' ook feitelijk zijn geëffectueerd. Volgens de Wir moeten investeringen in 1988 uiterlijk op 31 december 1990 in gebruik worden genomen. De werkgroep wilde het onderzoek snel afronden; het onderzoek heeft zich daarom beperkt tot bedrijven die vennootschapsbelasting betalen (NV's en BV's).

Ruim 435.000 bedrijven die vallen onder de inkomstenbelasting - bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf en de agrarisch sector - bleven buiten schot, want anders moesten “alle leggers worden geraadpleegd”. Een tweede criterium was dat de Wir-claim in 1988 minimaal 15.000 gulden bedroeg. In totaal werden ongeveer 8.100 posten geselecteerd met een gezamelijke Wir-claim van 1.475 miljoen gulden. Bij het onderzoek zijn 5.500 posten gecontroleerd met een totale Wir-claim van 866 miljoen gulden. Bij ruim 30 procent van de Wir-claims (262 miljoen gulden) is fiscale fraude geconstateerd en tegen ongeveer zestig grote bedrijven zullen juridische stappen worden ondernomen.

Uit het onderzoek blijkt ook dat er “weinig verschil in handelen bestaat tussen "grote' en "kleine' ondernemingen”. “De bij velen bestaande opvatting dat "grote' ondernemingen uitsluitend belastingheffing vermijden door fiscale constructies, lijkt door deze Wir-actie niet te worden bevestigd.”

Aan het landelijke Wir-onderzoek hebben 950 mensen (waarvan 840 controle-ambtenaren) deelgenomen. De opbrengst van de Wir-actie bedraagt gemiddeld 22.000 gulden per dag. Bij "normaal' onderzoek bedraagt de gemiddelde opbrengst 3.000 gulden. De "indirecte opbrengst' van deze Wir-actie wordt geraamd op 25 miljoen gulden extra vennootschapsbelasting.

Een Wir-claim van 610 miljoen is buiten het onderzoek gebleven. “Deze Wir-claim is gelet op de beschikbare capaciteit voor de actie niet in het onderzoek betrokken.” Stel dat in 30 procent van de gevallen is gefraudeerd, dan zou nader onderzoek een bedrag extra opleveren van ruim 180 miljoen gulden. De belastingambtenaren lijkt het niet verstandig hiervoor nogmaals een landelijke Wir-actie te starten. Volgens hen is het bedrag van de 610 miljoen gulden opgebouwd uit vele relatief kleine posten (“er mag immers worden verondersteld dat de grootste posten wel daadwerkelijk zijn onderzocht”). Organisatorisch en publicitaire overwegingen pleiten volgens de belastingambtenaren niet voor het nogmaals starten van een landelijke actie.

Maar tijdens een partijbijeenkomst afgelopen vrijdag zei PvdA-leider Kok dat alle Wir-claims die eind februari zijn ingediend, zullen worden onderzocht. “Alle aanvragen moeten tot op het bot worden uitgezocht”, zei minister Kok van financiën. (Saillant is dat minister-president Lubbers een paar uur eerder tijdens de wekelijkse persconferentie zei dat een vervolgonderzoek “geen politieke beslissing is”.)

De “scepticus” die stelt dat het fraude-bedrag ook wel bij "regulier' onderzoek aan het licht zou zijn gekomen, heeft volgens de Belastingdienst ongelijk. “Niet alleen zou een dergelijk bedrag veel diffuser zijn te traceren, maar ook het synergie-effect van de actie wordt hiermee miskend.” Er deed zich een fiscale noviteit voor: het ministerie van financiën, de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het ministerie van justitie werkten namelijk samen.