Mysteriespel zonder ironie; Een vage variant van het oude Christusverhaal

Voorstelling: En een kleine jongen zal ze hoeden - Jesaja 11:7. Co-produktie Toneelgroep Amsterdam en Nieuw West. Tekst, regie, vormgeving: Dik Boutkan, Marien Jongewaard, Rob de Graaf. Spelers: Hein van der Heijden, Celia Nufaar, Marlies Heuer e.a. Gezien: 17-12, Bellevue, Amsterdam. Nog te zien: tot medio maart in het hele land.

Zeven deuren vormen het decor, de middelste is een poort. Daardoorheen stappen God en Zijn Zoon, in dit geval Ramses Shaffy en Hein van der Heijden. Idylle, idylle, ze zien dat het goed is. Dan verschijnen er mensen ten tonele, drie vrouwen, twee mannen. Het sprookje wordt verstoord, de boodschap van Christus blijft onbegrepen, er heerst de ijdelheid van het spiegeltje aan de wand, de mens maakt van de schepping een pan. Even nog probeert ieder van de Adams en Eva's de onfortuinlijke Hein voor het eigen karretje te spannen, daarna verkeert de apeliefde in haat en gaat hij aan het kruis. De voorstelling En een kleine jongen zal ze hoeden - Jesaja 11:7 eindigt met collectieve inkeer, het mystiek lichaam, met de jongste dag en wie weet het paradijs.

Resultaat van de samenwerking tussen Nieuw West en Toneelgroep Amsterdam is raar genoeg niet meer of minder dan een mysteriespel, dat braaf gehoorzaamt aan de richtlijnen van de grootste profeet, Jesaja. Er is slechts een enkele dichterlijke vrijheid. De vaak gestelde vraag hoe God kan bestaan en toch Auschwitz hebben toegelaten, wordt hier een verwijt, van Christus aan de mens. Tijdens een feest fungeert Hij als bediende, maar in plaats van een rijke dis stalt Hij op een hagelwit tafellaken de symbolen van de holocaust uit. Een berg schoenen, brillen en mensenhaar. “Ik vermoed iets van betekenis,” zegt Lettie Oosthoek “maar ik wil niet verder denken.”

Tussen de regels door wordt er nog gerefereerd aan de gebeurtenissen in het Oostblok, zonder al te veel gevolgen overigens. Men is weer in Sint Petersburg en verkeert in Tsjechoviaanse ledigheid.

Dat is het dan, meer dan een vage variant op het aloude Christusverhaal hebben de schrijvers en regisseurs Dik Boutkan, Rob de Graaf en Marien Jongewaard ons kennelijk niet te vertellen. Als postmoderne restauratie van oude waarden gaat het ver, dat moet gezegd. Maar dergelijk eerherstel komt vaak, en zeker in dit geval, neer op oubollige leeghoofdigheid. Inhoudelijk ontbreken ironie en afstand en de vorm is af en toe charmant maar toch voornamelijk een mislukte knipoog. Sterker nog, de makers wekken de indruk hun boodschap werkelijk van gewicht te vinden. Dat op zichzelf heeft een zo vervreemdend effect dat verbazing de verveling verdrijft. Voor de duur van de voorstelling dan, daarna overheerst meewarigheid. Kom op jongens, zou je willen zeggen, niet de moed verliezen. Pit, verzet, er is nog een hoop te doen. En niet te veel tobben, dan komen de ideeën vanzelf.