Levenseinde

Veel ouderen, maar zij niet alleen, zijn niet bang voor de dood, maar wel voor de daaraan voorafgaande ziekte, pijn, afhankelijkheid en verlies van eigenwaarde. Deze voor velen angstige gedachten liggen ten grondslag aan het voorstel van professor Drion om zodanige voorzieningen te treffen dat ouderen op eenvoudige wijze aan mogelijkheden kunnen komen om zelf een einde aan hun leven te maken.

Er zijn overwegingen te noemen die het idee steunen, dat ouderen meer hulp zou moeten worden geboden bij het treffen van voorbereidingen om zelf een einde aan hun leven te maken op het moment dat zij menen dat hun leven voltooid is. Voor sommige ouderen is de gedachte onverdragelijk dat zij hun partner, kinderen, familie of de samenleving tot last zouden kunnen worden. Voor anderen is de kans op een vernederende, mensonwaardige dood een niet te verdragen schrikbeeld. Het voorstel van Drion biedt de mogelijkheid om met minder zorgen verder te leven zolang men dat wil en uiteindelijk, maar niet noodzakelijkerwijs, het leven te beëindigen op een moment en een plaats die men zelf verkiest. Waarom zou een oudere niet deze ultieme keuze mogen maken, vooral wanneer die daarmee niet een "significante andere' (b.v. een partner) schade toebrengt?

Op grond van mijn geloofsovertuiging meen ik dat mensen niet over het recht beschikken om een einde aan hun leven te maken op het moment dat zij het gevoel hebben dat hun leven voltooid is. Een mening die ik niemand wil opdringen, maar gezegd wil hebben, omdat Drion hem te weinig heeft gehoord. Meer in het algemeen maak ik bezwaar tegen het feit dat er overheidsregelingen op dit punt getroffen zouden moeten worden. Dit zal het - toch nog steeds - negatieve beeld van de ouderdom versterken. Een overheid die komt met een regeling voor het verstrekken van zelfdodingspillen aan ouderen, maar niet aan jongeren, spreekt daarmee impliciet een waardeoordeel uit met een zeer negatieve lading over oud worden en over de alleenstaande oudere. Een samenleving die dergelijke regels accepteert, al is het slechts in de voorwaarde scheppende sfeer, bevestigt daarmee het negatieve beeld van de alleenstaande oudere voor wie het leven geen betekenis meer kan hebben. Iedere regeling die uitsluitend berust op een arbitrair leeftijdscriterium en de sociale positie die men inneemt, kan rekenen op veel verzet in de maatschappij.

Er bestaat geen principieel onderscheid tussen een twintigjarige en een tachtigjarige, beiden met angstige vragen over de toekomst, op grond waarvan men aan een van beiden het verstrekken van zelfdodingspillen, zo men daartoe over zou willen gaan, zou moeten onthouden. Wie dat wel doet, matigt zich een oordeel aan over een aan de leeftijd gerelateerde waarde van het leven. Zeker van de overheid mag men verwachten dat zij zich verre houdt van een dergelijk oordeel.