Laagstgeschoolden krijgen te weinig

Noopt de zich aftekenende toename van de werkloosheid tot een verlaging van het minimumloon? Het redactionele commentaar op deze pagina (14 december) bevatte onder de kop "Werken' een pleidooi hiervoor. Aanbevolen werd het voorstel in het WRR-rapport Werkend perspectief over te nemen en het wettelijk minimumloon met dertig procent te verlagen, of het minimumloon te bevriezen.

Minister De Vries van Sociale Zaken werd in het commentaar verweten alleen oog te hebben voor “het vergroten van de prikkels om van een uitkering op een baan over te stappen”. Tegelijkertijd wordt het belang hiervan in het commentaar niet onderschat. Immers, zo wordt gesteld, “door het geringe inkomensverschil blijven uitkeringstrekkers gevangen in de armoedeval”. Toch zou het verhogen van de prikkel niets oplossen, volgens het commentaar, want zolang “de bruto loonkosten gelijk blijven, zullen de werkgevers niet direct extra minimumloners in dienst nemen”.

Dit laatste lijkt plausibel, maar is het niet. Geringe participatie kan zowel het gevolg zijn van een tekort aan banen als van een tekort aan feitelijk aanbod van personeel. Beide kunnen een knelpunt vormen. De WRR meent dat er sprake is van een tekort aan banen.

Wat op dit moment in de dagelijkse praktijk laaggeschoolden van werk afhoudt is niet zozeer een gebrek aan banen alswel een gebrek aan een, in vergelijking met de uitkeringshoogte, aantrekkelijke beloning. Een groot aantal zaken wijst op deze diagnose. De laagste lonen in CAO's zijn gemiddeld tien procent hoger dan het wettelijk minimumloon. In 1983 was dat nog maar twee procent. Men kan deze ontwikkeling toch moeilijk rijmen met een tekort aan banen. Het percentage moeilijk vervulbare vacatures voor ongeschoolden beloopt thans meer dan vijftig procent. Dat is hoger dan het percentage dat geldt voor alle vacatures samen. Het onderzoek Personeelsvoorziening voor functies op minimumloonniveau door het bureau Research voor Beleid in Leiden bevestigt dit. Er kan, aldus dit onderzoek, “worden vastgesteld dat de werkgelegenheid op WML-niveau onder druk staat. In de slag om goed en gemotiveerd personeel worden gaandeweg de lonen opgetrokken”. Voor dit onderzoek zijn vele werkgevers geraadpleegd.

Dat werknemers er ook zo over denken, blijkt uit het vele onderzoek naar de inkomenshoogte waartegen men bereid is te gaan werken, het zogenaamde reserveringsloon. Voor kostwinners ligt dit zo'n drie- à vierhonderd gulden per maand hoger dan de minimumuitkering. Inconveniënten verbonden aan een volledige werkweek, vaak niet gevuld met het meest aangename werk, vormen hiervoor een belangrijke verklaring. In het Regeringsstandpunt over het WRR-voorstel van 6 juni worden de beschikbare onderzoeken genoemd. Ook voor alleenstaanden ligt het reserveringsloon boven het minimumloon.

Het is dan ook gemakkelijk in te zien dat de laagbetaalde kostwinners nagenoeg volledig, op dertienduizend na, van de arbeidsmarkt zijn verdwenen. Het curieuze in de redenering van de WRR is dat men deze dertienduizend als kroonargument aanvoert om het minimumloon te verlagen. Want juist omdat het minimumloon voor kostwinners geen voordeel oplevert vergeleken met de uitkering, is deze situatie ontstaan.

Het zal zeker zo zijn dat het WRR-voorstel banen oplevert. Maar hoe groot is de kans dat deze ook zullen worden bezet? In het WRR-voorstel daalt het minimumloon bij gelijkblijvend uitkeringsniveau. Het nu al geringe inkomensverschil tussen werkenden en niet-werkenden zal nog kleiner worden. Voor degenen die in aanmerking komen voor een uitkering zal er dus alleen maar een verslechtering optreden. De ruim tweehonderdduizend werkloze kostwinners met een uitkering op minimumniveau komen muurvast te zitten in de armoedeval.

Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Als het knelpunt het inkomensverschil is tussen uitkering en minimumloon moet het beleid daarop inhaken. Overigens moet het beleid daar niet ophouden. De besluitvorming van het kabinet van afgelopen zomer houdt zowel loonkostenverlaging als inkomensverbetering in. Ook in de recente notitie Werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van minister De Vries komen beide thema's terug als belangrijkste aanbevelingen voor de komende jaren. Loonkostenmatiging, ook op minimumniveau, heeft dus evenzeer prioriteit.