"Kom op LBO-ers, laat die peuk liggen'

Scholen worden bestookt met anti-rookaffiches, actiekranten en preventieve experimenten. Toch roken jongeren weer meer dan een paar jaar geleden.

In de schoolgids staat onder het kopje Orde en Netheid dat "in het gebouw niet mag worden gerookt'. Op de glazen deuren die de ingang vormen van het Bouwens van der Boijecollege in het Limburgse Panningen zijn de bekende roodomrande cirkels met de doorgestreepte sigaret geplakt. Voor de entree van de school, onder het afdak, staan twee jongens rustig van hun sigaretje te genieten. Het regent pijpestelen en zo te zien zijn ze niet van plan naar de overkapping op het schoolplein te gaan, waar de rokers hun eigen domein toegewezen hebben gekregen.

Het rookverbod op het Bouwens van der Boijecollege geldt niet alleen voor leerlingen, maar ook voor leraren. Biologieleraar A. van Cauwenberghe, ooit een verwoed roker, toont de met peuken gevulde bloembak op het terras achter de lerarenkamer. ""Daar staan ze in weer en wind hun sigaret te roken'', zegt hij op sarcastische toon. Onder het afdak bij de ingang mag officieel niet worden gerookt, maar het gebeurt wel. Zo stak de vorige rector daar graag zijn sigaretje op. En de tekenleraar, zo gaan de geruchten, rookt wel eens stiekem tussen de lessen door in de bezemkast.

Er is geen school waar niet gerookt wordt. Maar het is opvallend dat de ene school veel meer rokers telt dan de andere. Op een Utrechtse scholengemeenschap met ruim 700 leerlingen roken ongeveer tien leerlingen, en dan nog voornamelijk "bovenbouwers'. Op de stoep van een Amsterdamse scholengemeenschap met nog geen 500 leerlingen staan tientallen eerste- en tweedeklassers in de pauze de ene sigaret met de andere aan te steken.

Is het een teken van nonchalance wanneer een school een hoog percentage rokers heeft? Op veel scholen haalt men machteloos de schouders op. Wat kunnen ze er tegen doen? Zodra de leerlingen buiten het hek een sigaret opsteken hebben ze er al niets meer over te zeggen. Andere scholen, zoals het Bouwens van der Boijecollege, kiezen voor het goede-voorbeeld-model: mogen de leerlingen niet binnen school roken, dan ook de leraren niet. Een enkele school probeert met een actief beleid het aantal rokers beperkt te houden. Leerlingen van het Marcellinus College in Oldenzaal die een heel jaar niet hebben gerookt, krijgen van directiewege een speldje uitgereikt. Op de Utrechtse Scholengemeenschap voert men een ontmoedigingsbeleid. Rokers worden verbannen naar een koude, slecht verlichte fietsenkelder terwijl in de aula, waar de rest van de schoolbevolking zijn boterham eet, swingende muziek wordt gedraaid. Je moet wel erg verslaafd zijn wil je in die ongezellige bunker gaan staan, is de heersende mening.

Het scheiden van rokers en niet-rokers lijkt een goede strategie, want uit onderzoeken blijkt steeds weer dat de kans om te gaan roken groter wordt naarmate er meer mensen in de directe omgeving roken. Bij jonge kinderen zijn dat vooral de ouders, komen ze eenmaal in de tienerleeftijd dan zijn de schoolkameraadjes van grote invloed. Dat zou ook de verklaring zijn voor het grotere percentage rokers onder LBO- en MAVO-leerlingen. Zij zijn vaker afkomstig uit lagere milieus en daar wordt nu eenmaal meer gerookt. Daarnaast wordt vastgesteld, meer uit waarneming dan op grond van onderzoek, dat deze leerlingen minder kritisch zijn en sneller geneigd zich te conformeren aan de groepsnorm.

""In de brugklassen zie je de ramp zich voltrekken'', zegt Henk Stegeman van de Stichting Volksgezondheid en Roken als hij de cijfers toelicht. Er is het laatste jaar "een hobbeltje naar boven' gesignaleerd, maar daaruit kan niet meteen worden geconcludeerd dat jongeren weer meer gaan roken. Toch ziet Stegeman de curve ""niet meer zo lekker dalen'' als jarenlang het geval is geweest. Van de kinderen in de leeftijd tussen tien en twaalf beantwoordt 2 procent de vraag of ze de afgelopen vier weken een sigaret hebben gerookt bevestigend. In de leeftijdscategorie van twaalf tot veertien zegt 15 procent van de jongens en 12 procent van de meisjes "ja' op diezelfde vraag.

Daarna gebeurt er iets raars met de cijfers, want kinderen vanaf vijftien jaar vallen onder het volwassenenonderzoek en worden niet meer bij het schoolhek ondervraagd, maar thuis bij pa en ma op de bank. Het percentage rokers zakt ineens met ettelijke procenten, en daarom kijkt men liever naar de groep tussen de 15 en 19 jaar, waarvan, zo blijkt uit dit onderzoek, 21 procent regelmatig rookt. Bureau Interview, dat onlangs een grootschalig onderzoek deed onder jongeren, kwam met beduidend hogere cijfers: 26 procent van de meisjes tussen de twaalf en negentien zou roken en 24 procent van de jongens. Grofweg één op de vier dus. Het ministerie van Volksgezondheid heeft zich ten doel gesteld het percentage rokers voor het jaar 2000 terug te brengen tot eenvijfde van de bevolking. In 1990 rookte 35 procent van de bevolking, in 1958 was dit nog 60 procent: 90 procent van de mannen en 29 procent van de vrouwen.

Lekker stuk

Op het ogenblik worden scholen bestookt met anti-rook materiaal voor leerlingen. De Stichting Volksgezondheid en Roken komt met nieuw voorlichtingsmateriaal voor jongeren onder het motto "Roken, waarom zou ik?'. Een motto dat vorig jaar ook al werd gebruikt, maar dat door de sub-slogan "Wat ik een lekker stuk vind? Een meid die niet rookt', op de achtergrond raakte. Bij de Reclamecodecommissie kwamen klachten over discriminatie binnen en ook schoolhoofden protesteerden tegen het affiche waar deze tekst op stond. ""Terwijl de doelgroep zelf een ongekend enthousiasme voor de poster aan de dag legde'', zoals de stichting teleurgesteld in haar jaarverslag vaststelt, werd de campagne noodgedwongen "low profile' gehouden. Via een op scholen verspreide krant en posters worden leerlingen nu opnieuw opgeroepen bij zichzelf na te gaan of roken normaal is en of ze het op de keeper beschouwd wel zo lekker vinden.

De Nederlandse niet-rokers vereniging CAN benadert de scholieren met zwaarder geschut. De actiekrant "Roken op school' nagelt onder de kop: "De verslaafde voor de klas' de rokende leraar aan de schandpaal. Hij is een slecht voorbeeld, ook al rookt hij niet waar leerlingen bij zijn. LBO-leerlingen krijgen in kapitalen de wijze raad aangereikt: "Kom op LBO-ers, wees geen slappelingen, laat die peuk liggen en houd je lijf gezond'. En op de laatste pagina passeren bekende Nederlanders de revue die in het openbaar met een sigaret zijn betrapt. Hedy d'Ancona, nota bene minister van Volksgezondheid, krijgt de wind van voren. Niet alleen omdat ze rookt, zoals op het Journaal te zien was, maar omdat ze "nog uitdeelt ook'. Lezers worden opgeroepen om "zich misdragende bekendheden' te melden bij de vereniging.

Het is de vraag of alle voorlichting die over de scholieren wordt uitgestort enig preventief effect sorteert: gaan daardoor minder kinderen roken? Henk Stegeman van de Stichting Volksgezondheid en Roken weet het niet, maar hoopt natuurlijk van wel. De vorige campagne van de Stichting - "Ik rook niet, ik sport' - had een bekendheid van 94 procent onder jongeren van 12 tot 19 jaar. Ook LBO- en MAVO-scholieren scoorden hoog in deze nametingen.

Maar of bekendheid met een slogan de houding ten opzichte van roken ook verandert kan met dit onderzoek niet worden aangetoond. Voor gedragsverandering is waarschijnlijk meer nodig dan een krant en posters want tieners zijn weliswaar makkelijk te beïnvloeden, maar de pressie komt van verschillende kanten. De voorlichtingscampagnes moeten opboksen tegen de invloed die uitgaat van "de groepsnorm', en tegen de tabaksreclame die - hoewel ze zich niet mag richten op de jeugd - voortdurend appeleert aan stoer, jong en sportief. De naamsbekendheid van Marlboro en Drum is onder tien- tot veertienjarigen net zo groot als die van Lego en de Efteling.

Verslaving

""Elke leerling die wij van het roken af kunnen houden is meegenomen'', zegt biologieleraar Van Cauwenberghe van het Bouwens van der Boijecollege. Zelf heeft het hem de grootste moeite gekost om van zijn verslaving af te komen en hij verbloemt niet dat hij nu "fel-anti' is. ""Ik vind het jammer dat er op het schoolplein gerookt mag worden, het liefst zou ik het helemaal verbieden'', zegt hij.

Zijn collega van de biologiesectie B. Beukers gaat heel wat minder ver. ""We leven in een vrij land en dat betekent dat mensen ook de vrijheid moeten hebben om kanker te krijgen'', vindt hij. Zelf rookt Beukers niet, maar hij denkt dat drie of vier sigaretjes per dag helemaal niet zo schadelijk zijn. Volgens hem is het niet de taak van de school om het roken uit te bannen, maar om kinderen bewust te maken van hun keuzes en ze aan te sporen kritisch over hun gedrag na te denken. ""En dan maakt het eigenlijk niet uit of het nu om roken, drank of drugs gaat.''

Naar de mening van Van Cauwenberghe wordt er in de biologieboeken niet systematisch genoeg aandacht geschonken aan de gevaren van roken. Daarom hoefde hij niet lang na te denken toen hij door de plaatselijke GGD werd benaderd met het verzoek mee te doen aan een rookpreventie-onderzoek van de vakgroep Gezondheidsvoorlichting en -opvoeding van de Rijksuniversiteit Limburg. Vier volle weken heeft hij met de tweede klassen gewerkt aan het "videogestuurde programma' dat door de vakgroep is ontwikkeld. Exclusief de voor- en nametingen die ook nog tijdens de biologielessen plaatsvonden.

Het trok een zware wissel op zijn gewone lesprogramma, maar het was de moeite zeker waard, oordeelt Van Cauwenberghe achteraf. De les over de lichamelijke gevolgen van roken was zeer instructief en het onderdeel waarin leerlingen leren weerstand te bieden aan de druk om te gaan roken was ""op z'n minst onthullend''. ""Je zag hoe simpel het is om iemand onder druk iets te laten doen wat hij eigenlijk niet van plan is.''

De leerlingen werden in groepjes verdeeld en moesten elkaar zo gek krijgen dat ze een sigaret opstaken. Hoe weersta je die verleiding en hoe kun je zonder jezelf buiten de groep te plaatsen toch duidelijk maken dat je niet wilt roken? In de videofilm worden vier manieren getoond om een sigaret te weigeren: passief blijven en niet reageren, kwaad worden, maar dat kost waarschijnlijk vriendschappen, duidelijk "nee' zeggen en een reden geven, of tenslotte: de bal terugspelen en de aanbieder vragen waarom hij of zij eigenlijk rookt.

De weerstand die leerlingen konden opbrengen varieerde sterk per schoolsoort. Van Cauwenberghe: ""In 2 atheneum staken twee kinderen heel even een sigaret aan, maar maakten hem snel weer uit. In 2 HAVO waren het vijf of zes leerlingen en in de gemengde HAVO-MAVO-klas ging zeker 70 tot 80 procent voor de bijl.'' Hij vond de opdracht trouwens wat "paradoxaal' van opzet en had zich afgevraagd of het roken de nieuwsgierigheid van de kinderen niet juist zou aanwakkeren.

Sigaretten weggegooid

Toeval of niet, maar Patricia en Judith, beiden veertien en leerlingen van het Bouwens van der Boijecollege zijn na afloop van het rookpreventieproject gaan roken. Inmiddels zijn ze weer gestopt, melden ze ter geruststelling. ""Ik wou het proberen'', zegt Patricia, ""maar ik vond het niet lekker en ik heb het pakje sigaretten weggegooid''. Ze wilde haar ouders niet teleurstellen, want die waren net zelf gestopt met roken en ze wilde al helemaal niet tegen ze liegen. ""Het is duur en ongezond'', vult Judith haar aan. Inge, ook veertien, weet heel zeker dat ze nooit gaat roken. Haar ouders hebben haar een keer een sigaret aangeboden. Probeer het maar eens, hadden ze gezegd. ""Het was zo vies'', vertelt Inge met een vertrokken gezicht, ""ik kreeg het stikbenauwd''.

Stoerheid speelt duidelijk een rol bij het roken, daar is iedereen het over eens. Patricia: ""Er is een jongen die vorig jaar erg gepest werd, nu rookt hij en voelt hij zich stoer''. Maar ook uit verveling of om erbij te horen gaan kinderen roken. Rutger (15) rookte vorig jaar een paar sigaretten per dag, maar is er in de zomervakantie mee gestopt. ""Ik was nieuwsgierig'', verklaart hij. ""Ik vond het leuk om te doen en het was lekker''. Het rookpreventie-programma heeft hem niet veel nieuws geleerd en sommige scènes van de video vond hij ronduit overdreven. ""Je wordt helemaal niet gedwongen om te gaan roken, dat drammen klopt niet met de werkelijkheid.'' Rutger zou liever wat hardere campagnes zien, ""waar je echt van schrikt''. Alle vier zijn ze voor strenge regels op school - waar wel en waar niet gerookt mag worden, maar voor de rest heeft de school zich nergens mee te bemoeien. ""Wie in zijn vrije tijd wil roken moet dat zelf weten.''

""This is my smoke-free zone'', staat met grote letters op de deur van Margo Dijkstra. Zij is als onderzoekster verbonden aan de vakgroep Gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (GVO) van de Rijksuniversiteit Limburg en verantwoordelijk voor het rookpreventie-project, dat op zo'n negentig scholen voor voortgezet onderwijs is uitgevoerd. Dijkstra schrikt zichtbaar als ze hoort dat op het Bouwens van der Boijecollege echte sigaretten zijn gerookt. Noch de tekst in het werkboek, noch de videofilm wekken volgens haar de indruk dat dit rollenspel over weerstand bieden zo levensecht gespeeld moet worden.

Door de vakgroep wordt vanaf 1986 onderzoek verricht naar het rookgedrag van jongeren en in 1989 promoveerde Hein de Vries op het proefschrift "Smoking prevention in Dutch adolescents'. Het preventie-materiaal van De Vries was vooral gericht op LBO-leerlingen en uit zijn onderzoek bleek dan ook dat bij deze groep scholieren de meest positieve resultaten werden behaald. Bij leerlingen van MAVO, HAVO en VWO was de preventieve werking op het rookgedrag minder duidelijk vast te stellen. In het algemeen werd er minder geëxperimenteerd met sigaretten en het programma had een deel van de kinderen die grote druk van hun omgeving voelden gestimuleerd om - althans voorlopig - niet te gaan roken.

De Vries stelde in zijn proefschrift vast dat er verschillende programma's moeten komen voor verschillende soorten leerlingen. Margo Dijkstra heeft de draad opgepakt en twee programma's voor MAVO-, HAVO- en VWO-leerlingen ontwikkeld die nu op hun effect worden getoetst. Het eerste is vooral gericht op de sociale invloeden die tot rookgedrag leiden, en het tweede op keuzes die scholieren maken voordat ze "besluiten' te gaan roken. De hypothese is dat MAVO-leerlingen beter zullen scoren op het "sociale-invloeden-programma', waarin het verhogen van de weerbaarheid centraal staat, terwijl HAVO- en VWO-scholieren meer behoefte hebben aan een cognitievere benadering, waarin keuzes met redenen omkleed zijn.

Daarnaast denkt Dijkstra dat het rookpreventieprogramma voor LBO-leerlingen van De Vries de meeste vruchten afwerpt als het meteen in de eerste klas wordt aangeboden, want LBO-ers roken niet alleen meer, maar beginnen er ook vroeger aan. Het programma voor HAVO en VWO zou eventueel kunnen opschuiven naar de derde klas, een veronderstelling die bevestigd wordt door de ervaring van biologieleraar Van Cauwenberghe. ""Eigenlijk had ik het programma driekwart jaar later moeten geven'', zegt hij, ""want bij veel kinderen speelde het roken nog niet zo'n belangrijke rol in hun leven.''

Leren roken

De afgelopen maand zijn onder zo'n 5000 leerlingen nametingen verricht, maar omdat uit Amerikaans onderzoek blijkt dat de preventieve effecten op langere termijn afnemen is onder een deel van de aan het experiment deelnemende scholen alsnog een voorlichtingskrant verspreid. Ook de invloed daarvan zal worden gemeten. Dijkstra verwacht de eerste resultaten in het voorjaar te kunnen melden.

Om te weten of je het rookgedrag van tieners kunt beïnvloeden met voorlichtingsprogramma's, moet je eerst weten hoe dat gedrag tot stand komt, legt Margo Dijkstra uit. Tot de jaren zeventig ging men ervan uit dat gebrek aan kennis over de gevaren van roken van doorslaggevende betekenis was. Echter, de preventie-projecten uit die tijd leidden wel tot meer kennis, maar niet tot ander gedrag. De sociale en psychologische mechanismen werden niet onderkend.

Door de sociale leertheorie en de theorie van het beredeneerd gedrag kwam men tot het inzicht dat adolescenten "leren' roken door leeftijdgenoten en volwassenen gade te slaan en ontstond het fenomeen "sociale druk'. Vandaaruit was de stap naar programma's waarin kinderen vaardigheden ontwikkelen om weerstand te bieden aan deze druk niet groot meer. Uit Amerikaans onderzoek bleek bovendien dat wanneer gebruik gemaakt werd van toonaangevende leerlingen ("peer leaders'), het preventieve effect verder kon worden vergroot. In de Verenigde Staten worden sommige rookpreventie-programma's gegeven door oudere leerlingen met veel aanzien op school. Ook in het programma van Margo Dijkstra worden met dat oogmerk leeftijdgenoten ingezet als groepsleiders en hebben de jongeren in de videofilm eenzelfde soort voorbeeldgevende functie.

""Met posters en kranten alleen kom je er niet'', is de conclusie van Dijkstra, al vindt ze acties als die van de Stichting Volksgezondheid en Roken zeker niet nutteloos, want ze worden wel opgemerkt door de jeugd. ""Maar wil je een gedragsverandering tot stand brengen, dan moet je leerlingen individueel of in klasverband aanspreken en ze de vaardigheid bijbrengen om "nee' te zeggen.'' En dan heeft Dijkstra het alleen nog maar over de groep van potentiële rokers, want stoppen met roken is weer een heel ander verhaal. Het wordt overigens hoog tijd dat er stop-programma's voor jongeren ontwikkeld worden, vindt ze, daarmee een van de dringendste aanbevelingen van Hein de Vries in zijn proefschrift onderstrepend.

In de laatste les van het rookpreventie-programma kunnen de leerlingen een contract ondertekenen waarin ze plechtig verklaren niet te zullen gaan roken. De bijgeleverde niet-rokerslijst kan publiekelijk aan de wand worden geprikt. Dat gebeurt op vrij veel scholen, weet Margo Dijkstra, en de openbare controle die van zo'n lijst uitgaat moet volgens haar niet worden onderschat.

Op het Bouwens van der Boijecollege hangt de lijst met de namen van de niet-rokers in het biologielokaal. ""De leerlingen houden elkaar onzettend goed in de gaten'', zegt Van Cauwenberghe. ""Als er iemand met een sigaret is gesignaleerd komen ze meteen hier naar toe om de naam door te strepen.'' Even fronst hij de wenkbrauwen. ""Ach, het hoeft nou ook weer niet zo'n dr. Meinsma-gedoe te worden. Aan de andere kant: als ik een steentje bij kan dragen, waarom dan niet? Want ook al gaat er maar één leerling minder roken en denken een paar andere kinderen er wat langer over na voordat ze hun eerste sigaret opsteken, dan is dat pure winst.''