Kannibalisme lijkt handig, maar is niet gezond

Kannibalisme is niet gezond. Dat melden Amerikaanse biologen van de Arizona State University in het wetenschappelijk tijdschrift Oecologia (okt. '91)na afloop van een onderzoek naar de vraag waarom het verschijnsel kannibalisme in de natuur zo zeldzaam is.

Op het eerste gezicht valt er veel voor te zeggen. In tijden van overvloed kan de kannibaal bijvoorbeeld reservevoedsel opslaan in de vorm van eieren die later, in tijden van schaarste, weer gegeten kunnen worden. Ook het opeten van de eigen jongen biedt soms een extra bron van nutriënten die de kannibaal zelf niet rechtstreeks kan consumeren. Zo eten snoeken van nog geen jaar oud voornamelijk vliegelarven, hetgeen voor grotere snoeken niet de moeite loont. Die jagen liever op hun kleine soortgenootjes.

Kikkervisjes verslinden elkaar soms om zelf sneller te groeien en eerder de metamorfose tot volwassen kikker te ondergaan. Voordeel daarvan is, dat ze minder tijd in het kwetsbare larvestadium hoeven door te brengen en dus hun overlevingskansen verhogen.

Ook bij roofvogels en uilen komt dit voor: in een nest wordt vaak een ei teveel gelegd. Omdat de ouders onmiddellijk met het eerste ei beginnen te broeden, worden de jongen ongelijk van leeftijd. De ouders geven het voer aan het jong dat het sterkst de aandacht vraagt. Het achterblijvertje is hierdoor meestal niet in staat voldoende voer te verwerven en wordt in magere jaren na een lange doodsstrijd door de oudere jongen opgegeten.

Waarom is kannibalisme, gezien al deze voordelen, dan in de natuur niet wijder verbreid? Een mogelijke verklaring is, dat men bij de jacht op soortgenoten kans loopt op kwetsuren, omdat beide partijen aan elkaar gewaagd zijn. Maar dat geldt ook voor allerlei roofdieren, dat kan dus de reden niet zijn. Belangrijker is waarschijnlijk, dat kannibalen meer kans lopen op schadelijke virussen, bacteriën en andere kwalijke ziekteverwekkers. Velen daarvan zijn namelijk soortspecifiek. Wie zijn soortgenoten eet loopt meer kans besmet te maken dan een gewone carnivoor.

De Tijgersalamander is in dit opzicht interessant omdat die in een kannibale en een niet-kannibale variant bestaat. In het laboratorium bleek dat kannibale Tijgersalamanders zich graag aan zieke soortgenoten vergrepen als ze daar de kans voor kregen. Veel van deze dieren gingen daar vervolgens zelf dood aan. Vervolgens werden wilde Tijgersalamanders in tien verschillende meren onderzocht. Daaruit bleek duidelijk dat de overlevingskansen van het kannibale type lager waren naarmate de ziektedruk in een meer hoger lag. Zulke effecten zijn ook bij lieveheersbeestjes en sommige kreeftachtigen beschreven.

En mensen vormen geen uitzondering. In sommige bergstreken in Nieuw Guinea was het tot de jaren zestig usance om overwonnen rivalen of aan ziekte gestorven stamgenoten op te eten, waarbij de consumptie van de hersenen het voorrecht is van de vrouwen. Spijtig genoeg leden zij daardoor vaker dan mannen aan kuru, in de wetenschap bekend als de Jacob Creutzfeld ziekte. Deze fatale ziekte wordt veroorzaakt door een eiwitvirus en is te vergelijken met de dolle koeienziekte (BSE) die vooral in Engeland veel slachtoffers heeft geëist onder rundvee, dat veevoer heeft gekregen waarin de vermalen hersenen van zieke schapen zijn verwerkt. (New Scientist 7 december)