Goedkope handen maken Europese kleding

In Noord-Afrika bloeit de textiel als nooit tevoren. Niet alleen Zeeman doet er goede zaken, ook Van Gils is van de partij.

Elke morgen staan ze met honderden tegelijk te dringen voor de fabriekspoorten van Sidi Ibrahim. Zij kijken over de hekken, ze kloppen aan de deuren of houden toevallige passanten vragend aan. De meesten zijn jong, zo tussen de achttien en de 25. Sommigen dragen islamitische hoofddoekjes. Anderen hebben een Westerse jurk aan. Bijna niemand durft zich in een spijkerbroek te vertonen.

Zij zijn op zoek naar werk in een van de honderden textielateliers, die als paddestoelen uit de grond springen in de nieuwste industriewijk van het Marokkaanse Fes. Voor een enkeling zwaaien de poorten open. De anderen gaan na een dag wachten onverrichter zake weer naar huis. De volgende morgen staan zij opnieuw voor de poorten om een kans te wagen.

Het is een beeld dat je in alle grote steden van Marokko aantreft. In de industriewijken van Rabat, van Rabats zusterstad Salé, van Cassablanca, Tanger en Marrekesh, overal zijn duizenden jonge vrouwen 's morgensvroeg op pad om een graantje mee te pikken van Marokko's "booming'-industrie, de textiel.

Hoeveel het er zijn is onmogelijk te zeggen. Bij de Union Maroccaine du Travaille (UMT) schat men het aantal tussen de drie- en de vijfhonderdduizend. “Hoewel”, zegt een van de functionarissen daar, “het kunnen er ook wel een miljoen zijn. We weten het gewoon niet.” Dat laatste getal is uiteraard overdreven. Zelfs een half miljoen lijkt aan de hoge kant. Maar dat de textiel Marokko in zijn greep heeft, staat buiten kijf. En dan gaat het niet alleen om de t-shirts van de Wibra of de gestreepte pyjama's van Zeeman. Gerenommeerde bedrijven als het Nederlandse Van Gils, het Duitse Bültel, de Franse Galeries Lafayette en Monoprix laten hun confectie in Marokko maken. En het duurt niet lang meer of een aanzienlijk deel van de in Europa verkochte spijkerbroeken komt uit het land van koning Hassan II. De grote Spaanse spijkerbroekenfabrikanten, samen goed voor ruim een miljoen exemplaren per jaar, zijn van plan vanaf volgend jaar hun produktie volledig naar Marokko te verplaatsen.

Het gaat dus voorspoedig met de Marokkaanse textiel. In de haven van Tanger is dat goed te zien. Dag in, dag uit spuwen de veerboten uit het Spaanse Algeciras op het Tangerse douaneterrein hun tientallen Europese vrachtauto's uit, die op weg zijn naar de Marokkaanse textielateliers. Waardig leider op het gebied van textielvervoer uit Marokko is het Nederlandse bedrijf Breda Transport. Breda Transport rijdt al jaren op Marokko, onder andere voor Van Gils. Een stevige concurrent is de Nederlandse firma Jan de Lely uit Geldermalsen. Ook die heeft zijn sporen in Marokko verdiend.

Maar op het grote parkeerterrein bij de douane in Tanger komen vrachtwagens uit heel Europa. Britten, Duitsers, Fransen, Spanjaarden vullen met hun vrachtverkeer in toenemende mate de Marokkaanse wegen. Zij komen in het "Mexico van Europa', zoals Noord-Afrika soms wordt genoemd, hun lading zoeken ten behoeve van de Europese kledingconsument. Onderbroeken, overhemden, kostuums, jurken, winter- en zomerkleren, de Marokkaanse textielconfectionairs maken ze.

Overigens zelden voorzien van het label "Made in Morocco'. Stiksters, plaksters en naaisters voorzien in Marokko het in elkaar gezette textiel vrolijk van allerlei herkomstaanduidingen. "Fabriqué en Maroc' is er echter niet bij. De kwaliteit laat namelijk nog wel eens te wensen over. De consument in de Europese winkel merkt daar niets van. Maar textielimporteurs klagen dat zij nogal eens partijen uit Marokko moeten afkeuren. “In Düsseldorf controleren wij alles nog eens”, aldus een Duitse textielbaas. “Kwaliteitscontrole blijft het grote probleem hier. Vandaar dat we in onze winkels in Duitsland het land van herkomst weglaten. We plakken er een label in met onze eigen, Duitse kwaliteitscontrole. Dat geeft de klanten de zekerheid dat hij wat goeds koopt.”

Pag 14:

Europese textielindustrie leeft weer op

De Marokkaanse textiel drijft op twee pijlers. De ene wordt gevormd door lage tot zeer lage lonen. De andere is de goede bereikbaarheid van het land. Zeker sinds de Spanjaarden in het kader van Spanje '92 gigantische bedragen staken in verbetering en verbreding van Spanjes doorgaande wegen, is een tocht naar Marokko vanuit Noord-Europa niet veel moeilijker dan bij voorbeeld naar Napels.

Bij een zo modegevoelige branche als de textiel is dat een onschatbaar voordeel. Wie als confectionair een nieuwe modetrend in Thailand, de Filippijnen of Maleisië laat maken, moet altijd rekening houden met een paar weken varen. Wie een Marokkaanse dame aan de naaimachine zet kan zijn trendy-spullen met enig geluk zelfs binnen een week in de winkel hebben liggen.

Het is echter niet alleen goud dat er blinkt op textielgebied in Marokko. Zeker niet voor de Marokkaanse arbeidster en arbeiders. Over de grote Europese confectionairs zoals Van Gils bestaan er in Marokko geen klachten. Zij betalen volgens de lokale standaarden goed tot zeer goed, de werkomstandigheden zijn uitstekend en het personeel is relatief goed geschoold.

In de duizenden "sweatshops' gaat het heel wat minder aangenaam toe. Vooral in de zomer, als de buitentemperaturen tot boven de veertig graden kunnen oplopen, is het werken in een bedompte, ongeventileerde ruimte vaak een hel. Flauwgevallen modinettes, die ondanks een emmer water over zich heen niet onmiddellijk opnieuw achter een naaimachine of het strijkijzer klauteren, gaan onverbiddelijk de laan uit. In die laan wachten ten slotte honderden anderen om het werk over te nemen.

En al dient elk bedrijf de ministeriële beschikkingen over werktijden en bedrijfsongevallen op een duidelijk zichtbare plek aan de muur te hebben, met de inhoud van die oekazes nemen de meeste bedrijfsleiders het niet al te nauw.

Dag in, dag uit staan de twee belangrijkste Marokkaanse oppositiekranten, al-Bayane (links) en L'Opinion (nationalistisch) vol met verhalen over wantoestanden aan het textielfront. Het komt regelmatig voor dat textielarbeiders of -arbeidsters, als zij na een vrije dag terugkomen, hun atelier definitief gesloten vinden. Zij staan dan zonder dirham op straat. Het komt nog veel vaker voor dat arbeidsters of arbeiders, die de hulp van de Marokkaanse vakbond inroepen, op staande voet worden ontslagen.

Bij de UMT puilen de laden daarom uit van de klachten. Overwerk wordt niet doorbetaald, het minimumloon wordt niet uitbetaald, de hygiënische omstandigheden zijn erbarmelijk. Het personeel wordt geslagen, noem maar op. Er is weinig aan te doen. Voor de poorten staan tientallen anderen te dringen, in de hoop een karige cent te kunnen verdienen aan het maken van de kleren, die in Europa voor weggeefprijzen aan de hangertjes bengelen. Maar ook aan Noordafrikaanse werkgeverszijde is het niet allemaal goud wat er blinkt. Dat leert het voorbeeld van Tunesië, Marokko's grote concurrent op de Noordafrikaanse confectiemarkt. Daar probeert men zich al veel langer staande te houden op het glibberige pad der industriële textiel. De kwaliteit van de Tunesische produkten ligt vaak hoger dan de Marokkaanse. De textiel is er ook beter georganiseerd. Maar toch, wilde stakingen in Cousse, massale ontslagen in Monastir, dreigende woorden van het Tunesische vakverbond UGTT - het rommelt aan alle kanten in de Tunesische textiel.

Dat de bedrijfstak er op dit moment niet erg florissant voorstaat, daar zijn vriend en vijand het over eens. De vraag is of het om een tijdelijke, conjuncturele inzinking gaat of dat de Tunesische textiel ernstige structurele zwakheden vertoont.

Vorig jaar exporteerden de Tunesiërs voor zo'n 2,25 miljard gulden aan textielprodukten. Vijftig procent van de totale handel met Frankrijk - Tunesiës belangrijkste handelspartner - bestaat uit textiel. Textiel is daarmee, vlak na het toerisme, Tunesiës belangrijkste bron voor buitenlandse deviezen.

Voor de werkgelegenheid is de textiel zelfs nog belangrijker. Met 250.000 werknemers zorgt de textiel voor bijna de helft van alle banen in de Tunesische industrie. Eén op de tien Tunesiërs verdient direct of indirect zijn brood in het toerisme. Eén op de acht is werkzaam in een van de 1580 textielbedrijven en -bedrijfjes die het land rijk is. Een crisis in de textiel is voor Tunesië daarom zeker zo erg als een crisis in het toerisme.

Gezegd moet worden dat in de Tunesische textiel de laatste jaren alle records zijn gebroken. In twee jaar tijd kwamen er in de textiel 29.000 arbeidsplaatsen bij. Er werd voor zo'n 500 miljoen gulden geïnvesteerd in spinnerijen en weverijen. Dat was 200 miljoen gulden meer dan in het nationale ontwikkelingsplan was voorzien.

De confectie deed het relatief gezien nog spectaculairder. In plaats van de geplande honderd miljoen gulden, stopten de investeerders 400 miljoen in die tak van de textielnijverheid.

Maar de Golf-crisis heeft op onaangename wijze de zwakke kanten van de Tunesische textiel blootgelegd. De Tunesische textielproducenten zijn in de eerste plaats onderaannemers. De bedrijfstak valt en staat met orders uit Europa. De pro-Iraakse demonstraties in grote Tunesische steden gaven het land het imago zoal niet politiek instabiel, dan in ieder geval politiek onbetrouwbaar te zijn. Gevolg was dat nogal wat Franse opdrachtgevers vorig jaar herfst uitweken naar Portugal of Zuid-Oost-Azië. De Tunesische ateliers lieten hen met lege orderportefeuilles zitten.

Niet alleen de politiek is dit jaar debet aan de malaise in de Tunesische textiel. Kleine verschuivingen op de Europese markten werkten in Tunesië onmiddellijk in het groot door. De koudegolf in mei en de hittegolf in september van dit jaar zorgden in Europa voor een verschuiving in het aankoopbeleid van de Europese consument. Die heeft minder zomerkleding aangeschaft en is het aangeschafte langer bereid te dragen.

In Frankrijk leidde dat tot een daling van de kledingaankopen met 0,6 procent. Voor de Tunesiërs, die net bezig waren de Europese markt terug te veroveren, betekent dat een nieuwe gevoelige klap. Zij zagen hun toch al magere orders met tien procent teruglopen. Al met al zijn door de Golf-crisis en de grillen van het Europese klimaat de Tunesische textielexporten de afgelopen twaalf maanden met een kwart gedaald.

Maar het grote gevaar voor de Noordafrikaanse textiel zit in de structurele wijzigingen op het Europese textielfront zelf. Want Europese regeringen en de Europese Gemeenschap zijn de textiel aan het herontdekken. Textiel is en blijft arbeidsintensief. Het vormt daarom een belangrijke factor voor de werkgelegenheid. Na in snel tempo de produktie te hebben overgeplaatst naar lage-lonen-landen om de kosten te drukken, is de Europese textielindustrie bezig aan een tweede jeugd.

Zo vervaardigt zij steeds meer exportprodukten met een hoge toegevoegde waarde. België is daar een eminent voorbeeld van. Als tegenhanger voor de steun aan de noodlijdende Waalse staalindustrie besloot de Belgische minister Claes een aantal jaren geleden voor 22 miljard Belgische frank steun te geven aan de Vlaamse textiel. In 1986 maakte de Europese Commissie een einde aan die concurrentievervalsende goedgevigheid. Het resultaat van het plan-Claes is wel dat de Vlaamse textiel- en confectie-industrie op dit moment al 100.000 mensen werk biedt. Ze weet 85 procent van haar produkten te exporteren en zorgt voor één op de acht arbeidsplaatsen in de Belgische industrie.

De Europese Commissie heeft inmiddels zijn eigen textielplannen uitgewerkt. Onlangs is in Brussel gepraat over het plan-Millan. Dat voorziet in een steun van 500 miljoen ecu (zo'n 1,2 miljard gulden) aan achtergebleven regio's, die traditioneel van de textiel afhankelijk zijn. In Europa werken drie miljoen mensen in de textiel (veertig procent minder dan vijftien jaar geleden), maar zij produceren nog altijd voor zo'n negentig miljard gulden.

Hoewel, dat is maar een schijntje van wat de hele Europese textielmarkt waard is. In 1989 besteedden Europeanen zes procent van hun inkomen aan nieuwe kleren, handdoeken en lakens. Dat is 700 miljard gulden. Zo geven alleen al de Fransen per jaar 2,5 maal zoveel uit aan textiel uit als aan olie. Alle fraaie historische en culturele banden ten spijt is men in Parijs bepaald niet van plan die markt vriendelijk cadeau te doen aan de Noordafrikaanse buren.

Het gevolg is dat de Tunesische hoop een all-round textielindustrie binnen zijn grenzen op te bouwen een fata morgana dreigt te worden. Niet alleen de rollen textiel en de patronen worden uit Europa aangeleverd. Het komt steeds meer voor dat de hele boel kant en klaar door robots geknipt, bij de Tunesische ateliers wordt afgeleverd, inclusief de naai-en persmachines, de naalden en het garen. Het enige werk dat de Tunesische textielarbeiders moeten doen is het tijdrovende - en dus arbeidsintensieve - stikken. De ultramoderne spin- en weefgetouwen, de knoopmachines, de ontwerpateliers, ze blijven allemaal achter in Europa, samen met het grootste deel van de toegevoegde waarde.

Zo kan het gebeuren dat de T-shirts die bij duizenden tegelijk voor vijftien gulden in de rekken langs de Kalverstraat en de Lijnbaan hangen, in Tunesië en Marokko voor nog geen gulden in elkaar gezet zijn.

De Tunesische confectiefabrikanten, verenigd in de Federation Nationale des Textile Fenatex en de Tunesische werkgeversorganisatie UTICA, zien overigens best waar de schoen wringt. De voorzitter van UTICA, Hédi Jilali, zelf directeur van het textielbedrijf Lee Cooper herinnert de Tunesische regering er keer op keer wrevelig aan hoe hij tijdens een werkgeverscongres in Duitsland te horen kreeg dat Tunesië, waar het de bureaucratie betreft, door zijn Duitse gastheren als een achterlijk land wordt beschouwd. Marokko staat in een vergelijkbare geur.

De Tunesische en Marokkaanse regeringen zijn van plan daar het nodige aan te doen. Dat moeten zij ook wel, want zij zijn lid geworden van de GATT en moeten dus allerlei importbelemmeringen opheffen. Voorts worden, als alles goed gaat, de Tunesische dinar en de Marokkaanse dirham volgend jaar vrij inwisselbaar. Het kapitaalverkeer loopt al soepeler en het eindeloze gezeur van financiële transacties, die over tal van bureaucratische schijven moeten lopen, is verleden tijd.

Maar het belangrijkste is dat in ieder geval de Tunesiërs wat willen gaan doen aan het opleidingsniveau in de zo belangrijke bedrijfstak. Er bestaan in Tunesië op dit moment nog geen technische vakscholen voor de textiel, het management is vaak gebrekkig en de kwaliteitsbewaking is vaak abominabel.

Als zoals Europese opdrachtgevers klagen, van de partij overhemden, T-shirts of onderbroeken meer dan een kwart moet worden afgekeurd, dan is er iets mis op de Tunesische werkvloer. In de laatste instantie valt of staat de hele bedrijfstak daarmee.

Een ander belangrijke prikkel vormt de angst voor Egypte. Dat katoenverbouwende land heeft een industriële textieltraditie die teruggaat tot het begin van de vorige eeuw. De lonen in Egypte zijn nog geen kwart van wat ze in Tunesië zijn en liggen op de helft van de Marokkaanse. Nu al klagen de Tunesische textielfabrikanten dat de Libische markt wordt overspoeld door Egyptische dumpgoederen, die via Libië steeds meer in Tunesië zelf doordringen.

Wat het potentiële Egyptische textielgeweld betreft is er echter één troost. De corruptie en de bureaucratische logheid van het Egyptische douane- en overheidsapparaat stellen alles in de schaduw van wat zich op dat gebied in Tunesië of Marokko afspeelt. Dat Egypte niet al lang het textiel-Thailand of het textiel-Fillippijnen van de Middellandse Zee is geworden, is uitsluitend daar aan te wijten. De Egyptische potentie blijft. Maar dat die zich op korte termijn realiseert lijkt uitgesloten.

Daaruit kunnen de Noordafrikanen weer hoop putten om zo snel mogelijk te doen wat zij moeten doen: doorstoten naar de kwalitatief hoogwaardige top van de markt. De GATT-vezelakkoorden geven er hun de mogelijkheden voor. Het is aan de Tunesiërs en de Marokkanen zelf daarvan wat te maken.