Een zwerver aangereden

Curly Sue. Regie: John Hughes. Met: James Belushi, Alisan Porter, Kelly Lynch. In 45 theaters.

Een omroepstelsel zonder levensbeschouwelijke grondslag heeft in ieder geval een voordeel: de twee of drie generaties die nu al in Amerika met televisie zijn opgegroeid, kénnen de klassieke filmpulp waarmee de vele netten overdag vol geplempt worden. Welke Nederlanders onder de vijftig herkennen de verwijzingen in Curly Sue naar de slapstick van The Three Stooges, drie komieken (Curly, Moe en Larry) die elkaar in honderden korte films met houten hamers op de kop sloegen, de neus omdraaiden of in de ogen prikten, een en ander versterkt door hoorspelachtige geluidseffecten?

Het is niet de enige hommage die de slimme maker van publiekssuccessen John Hughes (hij produceerde de vorige kersthit Home Alone) verwerkte in Curly Sue. Een favoriet van de filmcritici zal Hughes wel nooit worden als handig manipulator van verschillende geheide formules. In zijn laatste film combineert Hughes het sentiment van Chaplin met het engagement van Capra en de fysieke humor van Tom & Jerry en The Three Stooges. Natuurlijk speelt een kind weer de hoofdrol. De negenjarige Alisan Porter is op weg naar even grote roem als Macauley Culkin sinds Home Alone. Ze bereikt een hoge schattigheidsgraad door bestudeerd naturel, het snelle schakelen tussen zieligheid en brutaliteit en een knoert van een stem als ze "You're Nobody Till Somebody Loves You' zingt, met het timbre van Aileen Quinn in Annie.

Koning publiek heeft nooit ongelijk in Hollywood. Curly Sue oogstte in de eerste week matige recettes en vernietigende recensies, maar de mondreclame zorgde ervoor dat de moderne smartlap alsnog naar de top van de hitlijsten steeg. In zekere zin is die rehabilitatie nog rechtvaardig ook. Curly Sue grijpt de kijker bij de lurven, dwingt hem op de knieën en slaat hem - ploink! - een brok in de keel.

Weersta maar eens een oplichtersduo, bestaande uit James Belushi als een zwerver met trouwe honde-ogen en zijn geadopteerde dochter, als ze met hun neus tegen de ruit van een driesterrenrestaurant gedrukt staan en door de verschrikte gérant en zijn uitsmijter met een boog op het trottoir gemikt worden. Tot hun trucs behoort ook die van de zogenaamde aanrijding. Met een tevoren door pleegdochterlief per lange lat veroorzaakte buil gaat Belushi onder een de parkeergarage uitmanoeuvrerende Mercedes liggen en huilend reclameert het kind een vergoeding voor dit onrecht. Hun slachtoffer in Chicago, de voortreffelijke Kelly Lynch als een advocate die haar uiterste best doet om voor keihard door te gaan, voelt zich aangesproken in haar (en onze) sluimerende schuldgevoelens en neemt het paar tegen alle adviezen uit haar omgeving in huis op. En zo sipt Curly Sue limonade in een jacuzzi en zijn weldra alle condities vervuld voor het stichten van een gezin, zoals bekend het ultieme geluk op deze aarde, vooral in de donkere dagen voor kerstmis.

Hughes bewandelt zelden een pad dat al niet duizend keer eerder betreden is, maar hij doet dat met zo veel vanzelfsprekende overtuigingskracht en flair, dat je het hem niet echt kwalijk neemt. Mijn bewondering voor Curly Sue heeft te maken met die voor een bekwaam en met een overtuigende glimlach uitgevoerde vorm van flessentrekkerij. Alleen de geluidseffecten bij elke klap of valpartij blijven ongerijmd voor wie, zoals ik, de Three Stooges alleen maar van horen zeggen kent.