Dom en vrolijk

In deze donkerste dagen van het jaar wil een mens zich wel eens verdiepen in vragen waar hij anders nooit aan toe komt. Vragen die hij in februari of augustus schouderophalend terzijde zou schuiven omdat de antwoorden ongrijpbaar zijn.

Zoals: waarom is er verschil tussen kitsch en kitsch? Neem de kerstboom. Jaren geleden, toen de bomen nog niet in condoom-achtige hulzen werden aangesleept (en zeker niet al twee weken voor kerstmis), maakte mijn moeder eens een geringschattende opmerking over de al-te-mooie kerstboom. In die tijd was ”helemaal in zilver', zonder één ordinaire gekleurde bal, zo'n beetje het ideaal. Aanstellerig, vond mijn moeder dat; een oordeel dat ik nog steeds van harte deel. Bomen met pretentie, bomen die op subtiele wijze zijn volgehangen met uitsluitend lichtpaarse ballen en donkerpaarse strikken, of met met kant afgebiesde roze kussentjes, die kunnen niet. Zelfs de puur-natuur-boom, vol noten, appeltjes en sterretjes van stro is een twijfelgeval. Want achter een kerstboom behoort geen idee te zitten. Een kerstboom is dom en vrolijk.

En dan dringen die vragen zich dus op, die misschien wel onbeantwoordbare vragen. Waarom is hier en daar een tak dennegroen, eventueel met een gezellige rode bal er aan, heel goed te verdragen, maar zou ik liever sterven dan de ramen van mijn huis tot winterse ruitjes om te toveren met behulp van rode linten en een spuitbus vol schuim? Een kerstbal is toch ook klatergoud, die tak zo afgezaagd als maar kan? Is het allemaal een kwestie van gewenning?

Omdat de mensen zich over de onbelangrijkste zaken altijd het drukst maken - het feit was al bekend, maar wordt in onze tijd bij voorbeeld mooi geïllustreerd door de epidemische passie voor het Correcte Nederlands - zijn zij heel kwetsbaar als je het over goede smaak hebt. Heeft iemand zich net dagenlang uitgesloofd voor een buitengewoon originele kerstversiering, kom je even zeggen dat dit géén gezicht is. Pats. Als ze zeggen dat je kind een etter is, alla, maar vinden ze je kerstboom een wangedrocht, dan ben je toch beduusd. Met dat kind had je weinig te kiezen, die kerstboom is van A tot Z jouw produkt.

Aan die gevoeligheid is niets te doen. De vraag wat smaak is, en waarom wij menen onderscheid te kunnen maken tussen mooi of acceptabel, en lelijk of zot, is er niet minder interessant om, integendeel. Smaak is persoonlijk, erover praten is linke soep, smaak is onderhevig aan modes en stemmingen, maar hij bestaat. Onnodig te zeggen dat de normen ook wisselen van plaats tot plaats. Bij de kapper kijk ik zonder gevoelens van onbehagen naar ruches en tierelantijnen die ik overdreven zou vinden bij mijn vrienden, en gênant bij mezelf: de commercie kent haar eigen regels.

In dat laatste feit ligt in elk geval één bron van veel moderne kerstellende. Want de regels van de commercie worden indringender dan ooit tevoren gepropageerd, en o zo braaf nagevolgd. Je ziet een vergelijkbare ontwikkeling bij het eten, waar het idee steeds meer post vat dat ècht lekker en verfijnd eten wel als twee druppels water moet lijken op het voedsel in een chic restaurant, compleet met amuse-gueule en koperen onderbord.

Kitsch als geheel, het debiele broertje van de kunst, is natuurlijk een raadselachtig verschijnsel. Waar zit het verschil precies? Wat betreft de kunst is een van de simpelste, mooiste definities dat kunst niet-echt is, en dat op de gewaarwording van dat feit ons plezier berust (dat is niet echt een ruiter, het is een doek met verf die op een heel speciale manier op een ruiter lijkt). Als dat zo is, dan is kitsch vals niet-echt. Serieuze kunst houdt altijd een slagje om de arm, kitsch is niet meer dan het is. Het wil niks met die ruiter, het wil een schilderij zijn.

Om nu terug te komen op de kerstkneut: misschien moet je dat wel helemaal geen kitsch noemen. Het is gewoon klatergoud, onzinnige, tijdelijke opsmuk. En eng - ofte wel kitscherig - wordt het pas als iemand doet alsof het kunst is, als er diepzinnigheid gesuggereerd wordt, en schoonheid.

Hoewel we dan toch nog blijven zitten met die ruitjes van rood lint en spuitsneeuw, met de verfoeilijke lila kerstbal, en de boom die al ronddraaiend De herdertjes lagen... speelt, terwijl de elektrische lichtjes op de maat aan en uit floepen. Je kunt over deze dingen veel zeggen, maar niet dat zij diepzinnigheid suggereren. En de kerststal, waar moeten we heen met de kerststal? Ik ben opgevoed met de gedachte dat een kerststal kan, maar zonder Maria en Jozef; dat ging te ver. Angst voor ”roomse' kitsch speelde hierbij zeker een rol. Weidse sociologische perspectieven doemen op: was de afkeer van het katholicisme een esthetisch vooroordeel?

Zo blijft het moeilijk om orde te scheppen op de rommelzolder van de smaak. De keurig opgeruimde bovenkamer, waar grote kunst en kleine kunst, trouwhartige kitsch en cynische kitsch, netjes van elkaar gescheiden blijven (met niet te vergeten een forse ladenkast voor de verschillende soorten van versieringen) - die zal wel altijd een ideaal blijven waar wij hoogstens naar kunnen streven. Maar het is dan ook het opruimen zelf wat leuk is, niet het doel. Vooral als we alvast de zwaarwichtigheid en de pretentie de trap af kunnen donderen, met alle bijbehorende kerstdecoraties. Dom en vrolijk, dat is voor kerstmis je ware.