Diamonds: not forever!

Elke regering probeert zijn economie zo goed mogelijk te laten presteren. En of dat ook lukt wordt meestal bekeken aan de hand van een aantal vragen: - hoe zit het met de groei van het nationaal inkomen? - hoeveel mensen zijn er werkloos? - hoe ontwikkelt het prijsniveau zich? - hoe staat de betalingsbalans erbij?

Vanzelfsprekend kan zo'n rijtje worden uitgebreid met vragen over de verdeling van het nationaal inkomen, de toestand van het leefmilieu, de situatie in de gezondheidszorg, enzovoort. Maar toch geeft het antwoord op deze vier vragen een aardige eerste indruk.

De groei van het nationaal inkomen bepaalt hoeveel goederen en diensten de burgers kunnen kopen en hoeveel belastingen er bij de overheid binnenstromen. Een economie die met veel werkloosheid kampt, is er slechter aan toe dan een land met een beperkt aantal werklozen. Als de prijzen te snel stijgen, ontstaan er allerlei spanningen omdat iedereen zich tegen koopkrachtverlies wil indekken. Bovendien kan een land dat te duur wordt zijn internationale concurrentiepositie in gevaar brengen. Bij de betalingsbalans wordt vooral gekeken naar het verschil tussen in- en uitvoer van goederen en diensten: het uitvoersaldo. Een bescheiden positief saldo (dus meer ontvangsten door uitvoer dan uitgaven door invoer) wordt op prijs gesteld.

Economen bij de OECD (Organisation for Economic Cooperation and Development) verdienen hun dagelijks brood met het beoordelen van de economische situatie van de landen in de wereld. En om nu in één oogopslag een globaal oordeel te kunnen geven, hebben ze een vernuftig figuurtje ontwikkeld. Het figuurtje ontleent zijn naam - de diamant - aan de vierhoek die erin is afgebeeld. Hoe beter het gaat met de economie in kwestie, hoe groter die diamant.

De vierhoek ontstaat als volgt: vanuit het midden van de figuur wordt naar links de werkloosheid gemeten als percentage van de beroepsbevolking. En wel met een omgekeerde schaal: hoe meer naar links hoe minder werkloosheid. Omhoog is de groei van het nationaal inkomen neergezet: hoe meer omhoog hoe meer groei. Naar rechts wordt het uitvoersaldo in procenten van het nationaal inkomen geplaatst. Het nulpunt ligt halverwege, links daarvan is er een negatief saldo, rechts daarvan is dit positief. Ten slotte wordt naar beneden het prijsniveau afgezet; ook hier een omgekeerde schaal: hoe minder prijsstijging hoe meer naar onder. Vandaar dat een grote diamant betekent: weinig prijsstijging, een positief saldo van in- en uitvoer, behoorlijke groei en weinig werkloosheid.

The Economist publiceerde onlangs de diamantenfiguur die hierbij staat afgebeeld; met dit verschil dat zij er Italië in hadden opgenomen, waar wij Nederland voor in de plaats hebben gezet. Elk van de afgebeelde landen laat twee diamanten zien; één voor de periode 1967-'73, toen energie nog goedkoop was. En één voor de periode 1980-'90, nadat de olieprijzen waren ontploft.

(Figuurtitel)

Hoe groter hoe beter

G groei% nationaal inkomen; B saldo in- en uitvoer in % nat.inkomen

P % prijsstijging; W % werkloosheid

Bron: The Economist

Het eerste dat opvalt is de vrij grote oppervlakte van de vierhoeken in de periode voor 1973: het ging in het algemeen goed. In de tweede periode zien we bij de VS, Frankrijk en Groot Brittannië een forse krimp. Geringe groei, tekorten bij in-en uitvoer en hoge werkloosheid doen hun diamanten verschrompelen. Japan, Duitsland en ook Nederland weten die tweede periode de oppervlakte van hun vierhoek aardig te handhaven. Maar er treden wel opvallende verschuivingen op.

Nederland dankt zijn respectabele vierhoek aan een groot uitvoeroverschot en nauwelijks stijgende prijzen. Op het gebied van groei en werkloosheid scoren we slecht. Al met al toch een verslechtering. Een economie die onvoldoende groeit en daardoor nog steeds te weinig werkgelegenheid schept om het grote arbeidsaanbod op te nemen. Waar de prijzen zich rustig houden omdat er nauwelijks druk op de ketel staat. En waar het uitvoersaldo relatief groot is, niet omdat we zo geweldig exporteren, maar omdat we te weinig importeren. Ook de Japanse diamant is naar het Zuidoosten verschoven, maar daar is de groei toch meer dan twee keer zo groot als in Nederland en de werkloosheid beduidend kleiner. Daar is het grote positieve uitvoersaldo dan ook juist te danken aan de kracht van de export.

Interessant is het dat de Duitse en de Nederlandse diamant nogal op elkaar lijken. Niet alleen de vorm maar ook de verschuiving. Omdat Duitsland ons belangrijkste afzetgebied is en door de strakke koppeling van de gulden aan de Duitse mark, hebben wij maar heel smalle marges voor een eigen economisch en financieel beleid. Dat geeft weer voedsel aan de vaak gehoorde opvatting dat wij niet meer zijn dan een filiaal van onze Oosterburen.